In dit vluchtelingenkamp zijn generaties Palestijnen hun toekomst zijn kwijtgeraakt

Estimated read time 19 min read

Sinds in 1948 700.000 Palestijnen werden verdreven van hun land, leven velen in barre omstandigheden in vluchtelingenkampen zoals Shatila in Beiroet. Is dit de grimmige toekomst die de mensen in Gaza nu tegemoet gaan?

Vorig jaar nam Kamal zijn oudste zoon Hassan mee naar een mensensmokkelaar. Kamal had een besluit genomen: hij moest en zou een manier vinden om zijn eenentwintigjarige zoon weg te krijgen uit vluchtelingenkamp Shatila in het zuiden van Beiroet, waar drie generaties van zijn familie hun hele leven hadden doorgebracht. ‘Ik wilde dat hij wegging, niet vanwege de financiële situatie – godzijdank gaat het goed met ons – maar ik stuurde hem weg om te ontsnappen aan het leven in dit kamp,’ vertelde Kamal me onlangs. ‘Er is hier geen toekomst voor de jongeren.’

Kamal, een man van achter in de veertig met brede schouders, een hoekige kaak en donker krullend haar, is een redelijk welgestelde zakenman binnen de verarmde grenzen van Shatila. Hij heeft een kleine winkel waar hij mobiele telefoons en cosmetica verkoopt. Toch moest hij, om aan de 5000 dollar te komen die de smokkelaar eiste, een flink bedrag lenen en daarnaast al zijn spaargeld uitgeven. Kamal vertelt zijn verhaal gehaast, de zinnen buitelen over elkaar heen. Zijn gezicht is ingevallen en hij heeft donkere kringen rondom zijn ogen. Hij ziet er uitgeput uit.

Claustrofobisch

Hassan begon zijn reis naar Europa in mei 2023. Eerst vloog hij naar Caïro, daarna werd hij door de woestijn naar Libië gereden. Op dat moment belde Hassan zijn vader en vertelde hem dat hij en de andere migranten in een schuur werden vastgehouden, terwijl ze wachtten op de boot die hen naar de overkant van de Middellandse Zee zou brengen. ‘Ik belde de smokkelaar en zei dat hij mijn zoon naar een hotel moest brengen en dat ik extra zou betalen,’ herinnert Kamal zich. Na tien dagen in het hotel te hebben doorgebracht, laadde de smokkelaar de vluchtelingen in een vissersboot met Italië als bestemming.

Terwijl we praten, zit Kamal met een paar vrienden, ongemakkelijk neergestreken op kleine plastic krukjes in een donker steegje zo smal dat elke keer als er een scooter voorbij raast, de mannen hun knieën tegen hun borst moeten optrekken en opzij moeten draaien. De zon schijnt boven Beiroet, maar er sijpelt weinig licht naar de plek waar Kamal zit. Er staan geen muren om vluchtelingenkamp Shatila heen. Geen prikkeldraad, wachttorens of controleposten, althans niet meer, die verhinderen dat mensen het kamp binnenkomen of verlaten. Maar een mix van draconische wetten, discriminatie en vooroordelen heeft ervoor gezorgd dat Shatila net zo claustrofobisch aanvoelt als elk kamp dat wél omringd wordt door hoge betonnen muren.

Voor Kamal was de reis van zijn zoon de zoveelste episode in een vluchtelingensaga die bijna acht decennia geleden begon. Net als zijn ouders voor hem en zijn kinderen na hem, is Kamal een staatloze Palestijnse vluchteling wiens leven in elkaar is gestort in de steegjes van Shatila. Hetzelfde geldt voor de vrienden die bij hem zitten.

Op de muren rondom deze mannen is de geschiedenis zichtbaar in de vorm van verflagen en graffitislogans. De gesjabloneerde afbeelding van de Rotskoepel en honderden portretten van oude leiders, van Yasser Arafat en de militanten uit de jaren zeventig met hun lange bakkebaarden, tot een jongere generatie strijders in gevechtstenue – allemaal gedood en gevierd als ‘helden en martelaren’ die door de volgende generatie nagevolgd moeten worden – tot de foto’s van Abu Ubaida, de huidige militaire woordvoerder van Hamas.

In een tijd waarin extreemrechtse leden van de Israëlische regering openlijk oproepen om de bevolking van Gaza te verdrijven en naar buurlanden of verder weg te sturen, hoeven we ons niet eens voor te stellen hoe het leven zou zijn voor de meeste van deze Palestijnen die gedwongen in ballingschap moeten gaan. We weten het al. Deze verdrijving heeft al eens eerder plaatsgevonden. Om te zien hoe die grimmige toekomst eruit zou kunnen zien, hoef je alleen maar naar Shatila te kijken.

In het begin vormden zich clusters van tenten, en soms hele kampen, rond traditionele leiders en dorpsoudsten

De woorden ‘vluchtelingenkamp’ roepen het beeld op van een paar honderd tenten, een provisorische omgeving om een bevolking in nood in onder te brengen. Shatila is met zijn ruim veertienduizend inwoners – sommige schattingen lopen op tot dertigduizend – meer een kleine stad binnen een stad. Het staat hier al meer dan zeventig jaar. In de afgelopen tien jaar is de bevolking explosief gestegen. Syriërs die de burgeroorlog ontvluchtten, straatarme Libanezen, Ethiopiërs, Eritreeërs en arbeidsmigranten uit Bangladesh hebben allemaal onderdak gevonden in het kamp, dat nu een dichtbevolkte sloppenwijk is.

Ingeklemd tussen een grote snelweg en een stadion, niet ver van het centrum van Beiroet, kan het kamp zich alleen maar verticaal uitbreiden. Nieuwe flats zijn precair op elkaar gestapeld, elke flat iets groter dan de flat eronder en samen vormen ze gebouwen met meerdere verdiepingen waarvan de ramen op de bovenste verdieping die aan de andere kant van de steeg kussen. Uit de balkons schieten trappen omhoog en er steken balken uit die onderdoorgangen creëren.

Gedurende het grootste deel van de geschiedenis waren de Palestijnse inwoners van het kamp afgezonderd van de rest van Beiroet. Maar de recente economische ineenstorting in Libanon heeft ervoor gezorgd dat de stad nu voor de deur van Shatila ligt. De hoofdstraat met zijn kraampjes waar groente en fruit, schoenen, kleding en keukengerei worden verkocht, is goedkoper dan welke plek in Beiroet dan ook. Tijdens een recent bezoek leek het alsof elk beschikbaar hoekje tussen gebouwen op straatniveau was omgetoverd tot een kruidenierswinkel of een plek voor karretjes die snoep verkochten aan schoolkinderen, die schreeuwden en lachten terwijl ze zich tussen de brommers door manoeuvreerden, hun Unicef-schooltassen op hun schouders op en neer deindend.

De oorsprong van het kamp gaat terug tot 1949, toen een groep Palestijnse vluchtelingen zijn tent opsloeg op een braakliggend terrein aan de rand van Beiroet. Binnen enkele weken hadden meer gezinnen, voornamelijk uit Galilea, zich hier gevestigd en het Internationale Comité van het Rode Kruis erkende het als een van de zeventig kampen voor de ongeveer honderdduizend Palestijnse vluchtelingen die naar Libanon waren gevlucht en door de dorpen in het zuiden waren getrokken, of per boot in Beiroet waren aangekomen.

Een kleine minderheid van de nieuwkomers – die uit de middenklasse of met goede connecties – kreeg het Libanese staatsburgerschap aangeboden; de rest, waaronder arme boeren zoals Kamals grootvader, werd in kampen ondergebracht. Tegen die tijd was de staat Israël veilig in het grootste deel van historisch Palestina, nadat het de krakkemikkige Arabische legers – die zich verzetten tegen de oprichting van Israël – had verslagen en de verdrijving van meer dan zevenhonderdduizend mensen had voltooid met een exodus die bij de Arabieren bekend kwam te staan als de Nakba, oftewel de catastrofe. De beelden van de lange karavanen met mensen, verdreven uit hun voorouderlijke steden en dorpen door de opkomende Israëlische staat, marcherend naar hun bestemming als staatloze vluchtelingen, bepakt en bezakt terwijl ze de handen van kinderen vasthielden, zouden in het collectieve geheugen gegrift staan, niet alleen bij de Palestijnen, maar in de hele regio.

In het begin vormden zich clusters van tenten, en soms hele kampen, rond traditionele leiders en dorpsoudsten. Voor zover de ontheemding en ballingschap dat toelieten, waren deze kampen een reproductie van de gemeenschappen thuis. Na verloop van tijd, toen deze vluchtelingenkampen zich uitbreidden, werden het getto’s en sloppenwijken. Hun voortbestaan getuigde van het historische onrecht dat hun inwoners was aangedaan. Toch werden de kampen als zodanig een opslagplaats van herinneringen die een Palestijnse nationale identiteit in ballingschap in stand hield en vereeuwigde.

Onder controle

Toen de eerste golf Palestijnse vluchtelingen arriveerde, vormden ze ongeveer 10 procent van de totale Libanese bevolking. Het Libanese politieke en veiligheidsapparaat vreesde dat de nieuwkomers het machtsevenwicht in de sektarische staat zouden verstoren en een gevaar zouden vormen voor de maronitische christelijke dominantie. De inlichtingendienst van het leger kreeg de opdracht om de vluchtelingenkampen ‘onder controle te houden’ door middel van strenge bewaking, intimidatie en repressie.

Bijna twintig jaar lang leefden de meeste Palestijnse vluchtelingen in Libanon in armzalige krotten van stenen en houten planken, met zinken golfplaten en canvas daken. Aanvankelijk stonden sommige vluchtelingen wantrouwig tegenover elk permanent onderkomen dat gebouwd werd door het VN-agentschap voor Palestijnse vluchtelingen (UNRWA), omdat ze er vast van overtuigd waren dat hun ballingschap tijdelijk van aard was. Maar zelfs toen ze dit idee hadden opgegeven, verhinderden de Libanese autoriteiten dat cruciale bouwmaterialen zoals cement de kampen binnenkwamen. Ze wilden niet dat de vluchtelingen iets zouden bouwen wat de indruk kon wekken dat ze er permanent wilden blijven. Dit beleid was zogenaamd bedoeld om ‘de vluchtelingen aan te moedigen om terug te keren’ – alsof ze daar gewoon even voor konden kiezen. Ook legde Libanon strenge beperkingen op aan de basale arbeidsrechten van de vluchtelingen – en dat doet het nog steeds. Het enige beschikbare werk buiten de kampen was tijdelijk ongeschoold werk, waarbij uitbuiting schering en inslag was.

In de jaren zestig – en vooral na 1967, toen Israël Egypte, Jordanië en Syrië versloeg in de zesdaagse oorlog – verschoof de strijd voor ‘de bevrijding van Palestina’ van de corrupte en ineffectieve Arabische regimes naar Palestijnse revolutionaire organisaties zoals Fatah en het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina.

Deze facties, die ogenschijnlijk samenwerkten onder de paraplu van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie, maar vaak onderlinge ruzies hadden en de bevelen uitvoerden van hun corrupte Arabische regimesponsors, vonden in een nieuwe generatie vluchtelingen die geboren waren in de sloppenwijken van de ballingschap – gemeden, veracht en afgezonderd van de samenleving om hen heen – gedreven jongeren die klaarstonden om het onrecht van de Nakba ongedaan te maken en die ernaar verlangden terug te keren naar een thuisland dat ze nooit hadden gezien.

In de vluchtelingenkampen in Libanon vervingen deze facties de traditionele relaties door patronagenetwerken op basis van partijtrouw, en langzaamaan werden de Palestijnen – die misschien wel de minst sektarische van alle Arabische volkeren waren – meegezogen in het moeras van de sektarische Libanese politiek. Vanzelfsprekend sloten ze zich aan bij de linkse en voornamelijk islamitische partijen die de maronitisch-christelijke dominantie aanvochten.

Suhaila kon haar eigen huis alleen nog herkennen aan een deel van de keukenmuur dat ze blauw had geverfd

Ondertussen vonden de maronitische christelijke partij Phalange en andere rechtse christelijke organisaties een bondgenoot in de Israëli’s. In de Libanese burgeroorlog, die duurde van 1975 tot 1990, werden de Palestijnen gewoon een andere gewapende factie, zij het de sterkste. En het was in deze periode dat de naam Shatila – en het naburige Sabra – symbool kwam te staan voor een van de ergste wreedheden die tijdens de oorlog begaan zijn.

Tijdens mijn bezoek aan Shatila in november vorig jaar ontmoette ik een vrouw, Suhaila, die zich nog levendig herinnerde wat er in september 1982 gebeurde: milities die verbonden waren aan de Phalange-partij raasden, onder het toeziend oog van hun Israëlische militaire bondgenoten, drie dagen lang door de steegjes van het kamp, waarbij ze honderden burgers afslachtten en verkrachtten, waaronder veel vrouwen en kinderen, terwijl de Israëlische soldaten stonden toe te kijken. (Tegen die tijd hadden Palestijnse strijders onder leiding van Yasser Arafat de stad verlaten, onder de voorwaarden van een door de VS gesponsorde deal die een einde maakte aan maandenlange Israëlische bombardementen op Beiroet). ‘We zaten thuis toen we mensen hoorden schreeuwen: “Ze zijn hier, ze zijn het kamp binnengekomen,”’ herinnert Suhaila zich, terwijl ze in haar kleine en opgeruimde woonkamer zit. Een geur van wasmiddel en verse Turkse koffie vult de kamer.

‘Mijn schoonmoeder, die bij ons logeerde, zei tegen mijn man dat hij eens een kijkje moest nemen om erachter te komen wat er aan de hand was. Het geschreeuw werd luider en ik volgde hem naar buiten. Ik zag een vrouw naar ons toe rennen en een kind achter zich aan slepen. Ze schreeuwde: “Ze hebben mijn man in een vat verbrand en zijn neef doodgeschoten.” Het kind schreeuwde en toen zag ik dat ze haar ingewanden in haar hand hield – haar buik was opengesneden.’

Suhaila en haar familie vluchtten en vonden veiligheid in een aangrenzende wijk. Toen ze een paar dagen later terugkeerden naar het kamp, brachten journalisten en het Rode Kruis de omvang van het bloedbad aan het licht. ‘Toen ik terugkwam in ons huis zag ik messen op de vloer liggen. Ze waren schoon, maar ik werd hysterisch en begon te schreeuwen, ook al waren het gewoon onze keukenmessen,’ zei Suhaila lachend. Ze meldde zich aan bij het Rode Kruis en ging dagenlang van huis tot huis om lijken en ledematen te verzamelen.

Ze schenkt koffie in en vervolgt haar oorlogsverhalen over bombardementen en belegeringen door de christenen, de sjiieten, de Syriërs en zelfs door andere Palestijnse facties. Ze lacht opnieuw en zegt dat al haar zonen en dochters in ondergrondse schuilkelders zijn geboren tijdens een of ander gevecht.

Een van die gevechten vond plaats in 1986, aan het begin van een zes maanden durende belegering door sjiitische Amal-troepen op instigatie van hun Syrische meesters. Tijdens een zwaar bombardement werd Suhaila’s oudste zoon van negen aan stukken gereten door een artilleriegranaat. ‘We hebben geen graf voor hem, want hij is samen met anderen begraven in een massagraf, in de hoofdmoskee,’ zegt Suhaila. ‘Telkens als ik langs die moskee kom, houd ik de deur dicht en bid ik voor hem.’

Tegen het einde van de belegering was bijna elk gebouw in Shatila met de grond gelijk gemaakt. Suhaila kon haar eigen huis alleen nog herkennen aan een deel van de keukenmuur dat ze blauw had geverfd.

In de woonkamer zit een vriend van haar jongste zoon, die midden twintig is, te luisteren naar Suhaila die haar oorlogsherinneringen vertelde. Na afloop, beneden in het steegje voor het gebouw, buigt hij zijn hoofd, drukt zijn lange, borstelige baard tegen zijn borst en zegt op lage, bijna onhoorbare toon, alsof Suhaila hem vanuit haar appartement op de zesde verdieping kan horen: ‘De oude mensen hebben het altijd maar over de geschiedenis van de oorlog. Goed, ze hebben geleden, maar wat er nu in het kamp gebeurt, is erger dan welke oorlog ook. Jonge mannen sterven door drugs. Een hele generatie vergooit haar leven vanwege de verdovende middelen en de armoede.’ Hij heeft een magere en tengere lichaamsbouw en vermoeide ogen. Hij zegt dat hij zijn dagen verslijt met drie flutbaantjes en nog steeds niet rond kan komen.

Hij steetk een sigaret op en om zijn verhaal kracht bij te zetten leidt hij ons door een doolhof van donkere steegjes, nauwelijks breed genoeg voor één persoon, en komt tot stilstand voor een winkel met een groot kaal raam. Een rij van een half dozijn waterpijpen omzoomt de deur als een erewacht. Binnen staan twee banken in een hoek en er hangt een groot tv-scherm aan de smoezelige muur ertegenover. Op de ene bank zitten drie tienerjongens, gekleed in het zwart, die er stoer proberen uit te zien. Op de andere zit een magere jongeman. Zijn gezicht is vaal in het felle neonlicht. De meeste van zijn tanden ontbreken en de rest is zwart en verrot. Hij zakt wat dieper weg in de versleten sofa, spreidt zijn twee uitgemergelde armen, leunt met zijn hoofd naar voren en zegt tegen me: ‘Ik ben drieëntwintig en heb al twee jaar in de gevangenis doorgebracht,’ alvorens er trots aan toe te voegen: ‘Mijn naam staat op de lijst van gezochte personen bij elk controlepunt van hier tot aan de Beqaa[-vallei].’

De jongens, die tussen de dertien en zeventien jaar oud zijn, kijken met ontzag naar hem op.

‘We kunnen je hier in het kamp aan alle soorten drugs helpen, en ze zijn veel goedkoper dan in Beiroet,’ gaat de man verder: coke, MDMA, heroïne, hasj en allerlei soorten pillen. De duurdere soorten zijn voor de mensen die in de stad wonen. De arme kinderen in de kampen beperken zich tot de goedkopere en krachtigere synthetische middelen. ‘Wat kunnen we anders doen? Er is hier geen werk. Kijk naar die jongens – zodra ze het kamp verlaten worden ze lastiggevallen door het leger en de politie, dus we blijven hier gewoon zitten,’ vertelt de dealer me.

Hij zegt dat hij maar een middelmatige dealer is en alleen zakendoet met vrienden en kennissen en dat dat meestal is om zijn eigen drugs te betalen. ‘Een vriend komt naar me toe, zegt dat-ie coke of hasj wil, ik geef het hem en ik krijg zelf een extraatje.’ Hij zegt dat hij ongeveer duizend dollar per week verdient. Zowel zijn kapitaal als zijn winst bedraagt vijfhonderd dollar, die hij dan verdeelde met een van de ‘facties’. ‘Ze nemen de helft van mijn winst als hun deel, 250 voor hen en 250 voor mij.’

‘Wie zijn dat?’ vraag ik.

‘De gewapende facties die het kamp regeren. Je moet met een factie samenwerken voor bescherming, het maakt niet uit welke. Zonder hun bescherming kun je hier geen zaken doen. En het zijn niet alleen de Palestijnen die hierbij betrokken zijn. De Libanese veiligheidstroepen zitten allemaal in deze business. Hoe denk je dat de drugs hier komen, helemaal vanuit de Beqaa of Syrië? Er staan tientallen controleposten langs de weg. We krijgen zelfs dingen geleverd via het vliegveld.’

Oude strijd

Hij legt zijn handelswaar naast zich neer: een paar plastic zakjes gevuld met wit poeder. ‘We hebben zo veel hasj als je wilt,’ zegt hij. Uit een zak aan de binnenkant van zijn jas haalt hij een klein papieren hoorntje. Hij opent het om een kleine hoeveelheid van een lichtgroene, kruidachtige drug met de naam salvia te onthullen en begint een joint te rollen. ‘Dat is wat we hier roken – het is goedkoop en zorgt ervoor dat je alles om je heen vergeet.’

Niet ver van de winkel staan een paar mannen – veelal oud, met grijzende baarden, met munitiebanden strak om hun dikke buik en met oude kalasjnikovs in de hand – op wacht bij het hoofdkwartier van hun factie, dat versierd is met de vlag van de factie en de ooit zo verafgode martelaren. Gezamenlijk gaan deze facties over de veiligheid van de kampen, die buiten de jurisdictie van de Libanese staat vallen. Net als hun geweren zijn ze overblijfselen van de oude strijd. Tegenwoordig lijken ze uitsluitend te bestaan om beschermingsgeld te verzamelen.

In Shatila zijn overal tekenen van ellende te zien. In een kleine kamer op de begane grond zit een rouwende, in het zwart geklede, oudere vrouw rechtop op haar bed naar een kale muur te staren. Een buurvrouw vertelt me dat haar enige zoon van vijfentwintig twee weken geleden is overleden. Hij had complicaties gekregen door een mislukte blindedarmoperatie, maar, zo werd mij verteld, geen enkel ziekenhuis wilde hem opnemen omdat hij en zijn moeder de operatie niet konden betalen. Vlakbij zit een andere vrouw in haar kleine kamertje dat al tjokvol staat met twee stapelbedden, waar een klein groepje kinderen onder dunne dekens ligt te bibberen. Het zijn de kinderen van haar zoon, die een paar jaar geleden door rebellen in Syrië is vermoord.

Op de hoofdweg grazen twee koeien en een paar schapen tussen het afval, hun vacht zwart van het vuil, terwijl twee kleine kinderen rustig aan het spelen zijn met een klein stuk plastic speelgoed dat ze in een van de vuilniszakken hebben gevonden. In de verte gaat ook een man door het vuilnis, op zoek naar voedsel.

Te midden van de neerslachtigheid en ellende in het kamp zijn er ook sprankjes hoop. In een kelder loopt een jonge vrouw met haar haar in een knotje tussen de rijen van twintig kinderen door om samen met hen hun huiswerk door te nemen. ‘De UNRWA-scholen zitten zo vol dat de kinderen geen goed onderwijs krijgen. Wij zijn hier vrijwilliger om hen te helpen studeren’, zegt ze, en ze voegt eraan toe dat ze in haar laatste jaar sociale wetenschappen aan de universiteit zit. ‘We hebben geen andere keuze dan te studeren.’

In elke straat zijn de littekens van vroegere oorlogen te zien

In elke straat zijn de littekens van vroegere oorlogen te zien – van de ontbrekende arm van de oude jager die tomaten verkoopt tot de gevels van gebouwen die door zwaar geweervuur zijn weggehakt. Deze littekens zijn nooit geheeld, en de trauma’s van de bewoners werden niet aangepakt, maar generatie na generatie alleen maar opnieuw aangewakkerd – meer wreedheden, meer onderdrukking en steeds weer nieuwe beelden van ‘martelaren’, boven op de oude. Deze nieuwe martelaren behoren tot een jongere generatie mannen, die niet gedood werden in de kampen of in de oorlogen van Libanon, maar op de Westelijke Jordaanoever, in Gaza en Israël.

Naast een graffiti van de laatste woorden van de achttiendejarige Ibrahim al-Nabulsi, een strijder die twee jaar geleden in Nablus omkwam bij een Israëlische aanval – ‘Niemand mag zijn wapen neerleggen’ – gooit een groep jonge schoolkinderen hun schooltassen op de grond en gaat in de rij staan. Een van hen draagt grote militaire laarzen en een kakibroek en heeft zijn gezicht in een keffiyeh gewikkeld. Hij geeft een bevel en marcheert met zijn troep jonge jongens door de steeg. De tijd dat de kampen over aanzienlijke militaire kracht beschikten, is al lang voorbij. Maar onder de namen van de Hezbollah-strijders die gevallen zijn in de aanhoudende confrontaties langs de zuidelijke grens van Libanon met Israël, bevinden zich enkele Palestijnen die tot Hamas behoren, die uit de kampen zijn gerekruteerd. ‘Ze zijn getraind door Hezbollah en staan onder hun militair bevel,’ vertelde een Hamas-functionaris me in Beiroet.

Er hingen ook andere foto’s van overleden jonge mannen rondom het kamp, maar dat waren niet degenen die waren gestorven in de strijd tegen Israël. Een paar foto’s hingen tussen de gebouwen te wapperen boven de groentekraampjes. Ze lieten de gezichten zien van degenen die de kampen waren ontvlucht om een nieuw leven te zoeken, maar verdronken toen hun boot zonk in de Middellandse Zee.

Kamals zoon, Hassan, was een van deze mannen. Zijn laatste telefoontje naar zijn vader kwam in de nacht van 13 juni. Hij vertelde Kamal dat ze op de vissersboten werden geladen. De boot, die op weg was naar Italië, kapseisde in Griekse wateren. De Griekse kustwacht heeft tientallen opvarenden gered, maar negenenzeventig mannen en vrouwen kwamen om en nog veel meer worden vermist.

Hassans lichaam is nooit gevonden, maar Kamal denkt dat hij nog ergens levend rondloopt. ‘Zijn vriend die bij hem was, vertelde me dat hij hem de hele nacht heeft zien zwemmen. Ik weet zeker dat hij ergens in Griekenland is. Zolang ik zijn lichaam niet zie, blijf ik geloven dat hij leeft en dat hij op een dag bij ons terug zal komen.’

De smokkelaar, wiens boot kapseisde, runt nog steeds zijn bedrijf vanuit hetzelfde appartement in Beiroet.

Sommige namen zijn veranderd.

You May Also Like

More From Author

+ There are no comments

Add yours