
Schrijver Suleiman Addonia deelt hoe zijn schrijven werd beïnvloed door de band met zijn moeder, zijn thuisland en het acclimatiseren aan het westen.
Ik herinner me de ochtend in 1990 dat ik op Kilburn High Road stond, een dag nadat ik vanuit Jeddah naar Londen was gekomen. De mist van angst die ik in het vliegtuig had gevoeld wilde maar niet optrekken. Het geroezemoes op straat, vol onbekende talen, was overweldigend. Maar toen ik verder liep, voelde ik me thuis, voelde ik me ogenblikkelijk verbonden met de stad en haar inwoners. Ik voelde me op slag Brit.
Ik begrijp dat mensen zo en nu en dan verbaasd opkijken als ik dat zeg. Saoedi-Arabië, waar ik de vormende periode van mijn jeugd heb doorgebracht, was in vrijwel alle opzichten het tegenovergestelde van het Verenigd-Koninkrijk, en ik sprak nog geen Engels. Maar toch, toen ik daar zo liep – in een straat die om de honderd meter van naam veranderde, een straat met een tempel, een synagoge, een kerk en een moskee – voelde ik me op een bepaalde manier thuis. De verdraagzaamheid die de stad uitstraalde deed me denken aan de sfeer in het Soedanese vluchtelingenkamp waar ik had gezeten. Mijn wandeling voerde me naar de Speakers’ Corner in Hyde Park, waar ik mensen hartstochtelijk zag debatteren. Een zwarte man, wiens woorden door een vriend voor me werden vertaald, sprak over de onderdrukking van zwarte mensen in het Westen. Een Aziatisch-Caribische spreker vertelde dat zijn mensen het pittige eten naar het VK hadden gebracht, evenals inventieve manieren om de liefde te bedrijven. En vervolgens hekelde iemand de koningin, terwijl er een agent vlak voor zijn neus stond. Die agent was er niet om hem in te rekenen, maar om zijn vrijheid van meningsuiting te verdedigen. Ik kon mijn ogen niet geloven, ik vergaapte me aan dit toonbeeld van vrijheid. Ik had het ministerie van Binnenlandse Zaken helemaal niet nodig om mijn asielaanvraag goed te keuren of om me het Britse staatsburgerschap te verlenen. Op dat moment voelde ik me al volkomen Brits.
Die agent was er niet om hem in te rekenen, maar om zijn vrijheid van meningsuiting te verdedigen. Ik kon mijn ogen niet geloven
Maar dat gevoel van vrijheid dat ik die eerste dag in Engeland had ervaren, kwam in het gedrang toen ik jaren later schrijver werd. Hoewel de keuze voor het schrijverschap niet echt voor de hand had gelegen, had ik mijn ras, klasse of vluchtelingenachtergrond nooit gezien als hindernissen binnen de literaire wereld, waar dat in andere delen van de samenleving wel het geval was. Sterker nog, ik verkeerde in de overtuiging dat Europa alle zielen verwelkomde, zelfs die van mensen zoals ik, mensen die aanvankelijk veiligheid hadden gezocht maar inmiddels bereid waren artistieke grenzen op te zoeken.
Tot mijn verbazing stuitte ik echter op de ene na de andere hindernis op mijn pad richting de ‘ware kunst’ – hindernissen die zowel werden opgeworpen door mijn land in Afrika als door mijn nieuwe thuis in Europa. Het begon allemaal op het moment dat ik ging schrijven over de liefde en het seksleven van ontheemden.
Om te beginnen mijn moeder.
‘Wil je me dan helemaal nooit meer zien?’ zei mijn moeder tegen me aan de telefoon, ergens eind 2008. Ze zat in Eritrea. Het was een paar maanden na het uitkomen van mijn debuutroman, Als gevolg van liefde, over liefde in de gender-gesegregeerde samenleving van Saoedi-Arabië. Een familielid uit Europa had haar net gebeld, volkomen in shock over de expliciete seksscènes buiten het huwelijk in het heilige land. Hij had erop aangedrongen dat zij me tot de orde zou roepen.
Ik zat in Londen te schrijven en had geen moment stilgestaan bij de gevolgen van mijn woorden voor mijn familie thuis. ‘Ik ben nu Brits en kan schrijven wat ik wil,’ zei ik tegen mijn moeder, waarmee ik mijn onafhankelijkheid benadrukte, en het feit dat ik onderdeel was van een Europees land dat heel anders was dan haar land. Het leven van zowel mijn moeder als dat van mij was doordesemd van afscheid, al vanaf de tijd dat ik drie was en zij me achterliet bij haar ouders in een Soedanees vluchtelingenkamp, om te kunnen gaan werken in Saoedi-Arabië. Zeven jaar later werden we herenigd in Jeddah, om vijf jaar later weer van elkaar te worden gescheiden toen ze mij samen met mijn zeventienjarige broer naar Londen stuurde, uit angst dat we door haar werkgever, een Saoedische prinses, zouden worden teruggestuurd naar oorlogsgebied.
‘Ik ben nu Brits en kan schrijven wat ik wil’
Maar nu dreef mijn schrijverschap een wig tussen ons, zoals dat eerder was gebeurd door de oorlog en alles wat had geleid tot ons afscheid. Dezelfde pen die ik scherpte om mijn proza te perfectioneren dreigde nu de band door te snijden die me verbond met mijn moeder. En waarvoor? Vrienden brachten me keer op keer in herinnering dat de mensen die de scepter zwaaien in de Britse uitgeefwereld nooit het werk zouden waarderen of accepteren van iemand zoals ik, iemand die schreef in zijn tweede taal, iemand die een vluchteling was, en zwart.
Toen begon me te dagen dat ik, door te schrijven in een taal die niet de mijne was, een buitenstaander was binnen de literaire wereld, zoals ik ook een buitenstaander was geweest in alle landen waar ik had gewoond sinds we op mijn tweede waren gevlucht. Ik gaf het schrijven eraan en zocht een baan voor academici. Maar ik hield het niet lang vol, want ik herinnerde me welke rol verhalen hebben gespeeld in mijn leven.
Er waren geen bibliotheken of boekhandels in het vluchtelingenkamp waar ik van mijn tweede tot mijn tiende heb gezeten. In Saoedi-Arabië, waar ik als tiener woonde, was literatuur praktisch verboden, zodat mijn broer en ik op zoek moesten gaan naar zeldzame, gesmokkelde exemplaren, met alle risico’s van dien. Toen mijn broer en ik als alleenreizende minderjarige asielzoekers naar Londen kwamen, kreeg ik zeventien pond per week van de Engelse overheid, niet eens voldoende om eten van te kunnen kopen, laat staan boeken.
Door te schrijven in een taal die niet de mijne was, was ik een buitenstaander binnen de literaire wereld
Als ik terugkijk op mijn reis door letterenland, realiseer ik me dat het altijd een strijd is geweest, dat het nooit een geëffend pad was. Deze strijd heeft me uitgeput, maar ook duidelijk gemaakt welke cruciale rol verhalen hebben gespeeld in het humaniseren van mijn bestaan, terwijl het asielwezen me van mijn waardigheid beroofde. Zonder verhalen zou ik mijn moeder zijn kwijtgeraakt in mijn verbeelding, zoals dat in de werkelijkheid gebeurde toen ze ons achterliet in het vluchtelingenkamp, ik nog een kind.
Omdat ze niet kon schrijven, sprak mijn moeder haar brieven in op cassettebandjes en stuurde die, evenals een cassettespeler, van Saoedi-Arabië naar Soedan. Op die bandjes beschreef ze haar leven als bediende in het paleis. Door haar beschrijvende manier van vertellen kon ik me een beeld vormen van haar wereld en zo voelde ik me dichter bij haar. Het waren haar woorden die de liefde voor verhalen in me aanwakkerden.
Dus zette ik me weer aan het schrijven, maar dit keer met de belofte dat ik het anders zou aanpakken in mijn volgende roman. Het deel van mij dat hunkerde naar ouderlijke liefde, hoe abstract ook, beteugelde mijn verlangen naar vrijheid. Ik koos thema’s waarvan ik dacht dat de Eritrese overheid er geen aanstoot aan zou nemen, om niet te worden verbannen uit het land waar ik mijn moeder zou kunnen bezoeken. Ik schreef verhalen die onze cultuur thuis respecteerden.
Ik koos thema’s waarvan ik dacht dat de Eritrese overheid er geen aanstoot aan zou nemen
Ik volgde dit behoedzame pad totdat ik op bezoek ging bij iemand in Parijs, niet lang na het gesprek met mijn moeder. In een museumwinkel kocht ik een boek over Degas en zijn serie van een vrouw die naakt baadt met een emmer. Die emmer deed me eraan denken hoe we in vluchtelingenkampen een bad hadden genomen. Het schilderij gaf me een ingeving: een roman schrijven waarin ik met woorden een vrouw in een vluchtelingenkamp zou schilderen. Naaktheid en liefde zouden de kern vormen van mijn nieuwe boek, dat uiteindelijk als titel zou krijgen: Stilte is mijn moedertaal.
Maar ik was nog niet aan het boek begonnen of ik werd overmand door schuldgevoelens. Mijn moeder doemde voor me op, haar woorden galmden in mijn oren: mijn boek zou veel mensen thuis en in de diaspora van streek maken. Mijn moeder ging symbool staan voor censuur. Ik probeerde de vrijheidsinstincten van mijn personages te beteugelen, hun drijfveren politiek correct te maken, een muur op te trekken tussen hun verlangens en mijn pen. Ze werden gevangenen van mijn geweten. In mij voltrok zich een strijd tussen de schrijver en de zoon.
Overweldigd door dit alles schoof ik mijn roman aan de kant. En toen verhuisde ik in 2009 naar Brussel om daar te gaan samenwonen met mijn Belgische vriendin.
Mijn vriendin vond een fulltime baan, haalde de banden aan met oude vrienden en maakte nieuwe vrienden op haar werk, en ik voelde me alleen. Ik zocht het gezelschap van dode kunstenaars die doorleefden in mijn boekenkast, kunstenaars die kunst maakten om te provoceren omdat provocatie hun manier was om naar de wereld te kijken, en tevens de manier waarop de wereld naar hén keek. Het leek erop dat ik me voorbereidde op een nieuwe strijd, een nieuwe migratie, dit keer naar een land dat was opgebouwd door kunstenaars en schrijvers in de wolken. De woorden van dode dichters die ik las tijdens mijn slapeloze nachten overspoelden me en ik klampte me eraan vast, als een touw waarlangs ik hun wereld binnen kon klimmen. Illusie ging deel uitmaken van een realiteit waarin mijn verbeelding gedijde. En mijn verbeelding stuurde de roman die was gesitueerd in een Soedanees vluchtelingenkamp in een verontrustende richting. Om hem te kunnen schrijven moest ik de wereld betreden van mijn personages, een wereld zonder de waarden die ik me had eigengemaakt.
Illusie ging deel uitmaken van een realiteit waarin mijn verbeelding gedijde
Na afloop van een schrijfsessie ontleende ik geen vreugde aan mijn woorden, vond ik geen voldoening in de zinnen en personages die ik het licht had doen zien. Het was alsof ik misbruik maakte van de mensen thuis wanneer ik in mijn werk bepaalde ideeën uitwerkte. Mijn roman was als een tweesnijdend zwaard, zowel gericht tegen de tradities van mijn eigen mensen omdat ze de waarheid over mijn personages ontkenden, als tegen mezelf omdat ik leugens verkondigde en die presenteerde als de waarheid.
Maar het schrijven werd een baken, op de manier waarop ons vluchtelingenkamp dat ooit was geweest. Elk woord op de pagina ankerde me, en met elk hoofdstuk kreeg ik meer houvast. Ik had mijn hut gebouwd te midden van mijn personages. Hier was ik geen vluchteling, noch een schandvlek van Europeanen. Hier was ik gewoon een schrijver.
Schrijvers jagen voortdurend personages de dood in. Ik ben gewend aan bloedeloze afrekeningen met de personages die ik in me draag. Mijn gemoed is een overvol kerkhof. Maar afrekenen met een moeder die artistieke integriteit najaagt is een ander verhaal. Toch zou ik moeten kiezen of ik een zoon wilde zijn of een schrijver. Het kon niet allebei. Niet met dit boek.
Ik herinner me de nacht waarin ik in mijn verbeelding mijn moeder doodde. In de rouwstoet kreeg ik gezelschap van Tayeb Salih, Pina Bausch, Georges Bataille, Namio Harukawa, Anne Desclos, Zora Neale Hurston en Nawal El Saadawi, die me na afloop naar mijn bureau leidden, waarachter ik naakt plaatsnam, nadat ik alles afgelegd: normen en waarden, oordelen, taboes, gender. Ik werd even androgyn als Hermaphroditus.
Ten tweede: westerse uitgevers en westerse lezers.
In Brussel, omgeven door de avant-gardekunstenaars die op mijn boekenplanken prijkten, zette ik me aan het werk. Het ging vloeiend. De woorden bleven maar stromen. Ik was als Pina Bausch die danste in die kleine ruimte van Café Müller, te midden van tafels en stoelen, en hoewel ik tegen al die obstakels op botste en me nu en dan bezeerde, voltooide ik mijn boek. Gebutst maar niet gebroken: geen enkel misdrijf blijft zonder gevolgen, al is het zo surrealistisch als het in gedachten vermoorden van je eigen moeder om de weg vrij te maken voor de verbeelding.
Toen mijn roman dan eindelijk het licht zag, werd ik geconfronteerd met een andere vorm van censuur – geworteld in de westerse verbeelding. Mijn vrienden hadden gelijk gehad: als niet-witte schrijver genoot ik niet de vrijheid om te schrijven wat ik wilde.
Op de zin die ik schreef in Stilte is mijn moedertaal, over Saba die masturbeerde op de eerste ochtend nadat ze in het vluchtelingenkamp was aangekomen, werd geschokt gereageerd. Men vroeg zich af waarom iemand die de oorlog is ontvlucht op de eerste ochtend in een kamp zoiets zou doen. Men vond mijn obsessie met lichamelijke intimiteit in een kamp ongeloofwaardig: waar waren de beelden van honger, armoede? Afrikanen mochten niet zo vrij worden afgeschilderd als in mijn boeken, die vol stonden met scènes van masturbatie, orale seks waarbij vrouwen op het gezicht van de ander zaten, omkeringen van genderrollen en travestie. Iemand stelde zelfs voor dat allemaal te schrappen en in plaats daarvan een wit personage ten tonele te voeren, iemand die zowel Saba als haar broer zou redden, in plaats van dat Saba zichzelf zou redden.
Ik verdedigde mijn recht op dezelfde vrijheid die witte auteurs genoten. Naast het feit dat ik schrijver was, moest ik ook jurist worden. Om kunst met Afrikaanse personages te maken en te publiceren, moest ik een voetsoldaat worden van mijn verbeelding. Het deed pijn om in militaire termen over kunst te denken – maar ik had geen keus als ik mijn verbeelding tot het vrijste land op aarde wilde maken. De grootste vrijheid voor mij als schrijver is dat mijn personages zichzelf kunnen zijn, en dat heb ik ook gezegd tegen de mensen in de uitgeverswereld.
Het deed pijn om in militaire termen over kunst te denken
Hun standpunt was duidelijk. Als ik mijn tweede roman wilde verkopen, moest die beantwoorden aan de verwachtingen van een westers lezerspubliek: verwarrende, pijnlijke thema’s dienden te worden geschuwd. Ik moest de setting – een vluchtelingenkamp – afzwakken zodat hij paste bij het beeld van deze lezer. Ik had het gevoel dat mijn verbeelding was geketend aan de verwachtingen van deze denkbeeldige westerse lezer, en dat mijn vrijheid werd ingeperkt door het beeld dat de uitgeverswereld had van die lezer. Ik wist voldoende van echte lezers om te beseffen dat dit een al te eenvoudige voorstelling van zaken was. Was ik niet zelf ook een Europeaan, een westerling?
Ik benijdde Henry Miller, die een heel boek had geschreven over het seksleven van een witte man in Parijs, en die erom was bejubeld. En evenzeer benijdde ik Pasolini, wiens Italië dat van mij had gekoloniseerd, maar toen hij films maakte met Eritrese acteurs in seksscènes werd hij geprezen, terwijl mij te verstaan werd gegeven dat ik dat voortaan moest laten.
‘Onze ideeën vallen evenmin goed in onze eigen cultuur als in Europa,’ zei mijn broer, die ook schrijver is, een keer tegen me. ‘Beide kanten richten hun pijlen op ons.’
Ik moest denken aan zijn woorden, en aan alle strijd die ik had geleverd sinds ik was gaan schrijven, bij het voltooien van De zieners, een boek geïnspireerd op avantgardistische kunstenaars, een boek dat ik in drie weken had geschreven, terwijl ik vier jaar nodig had om een Engelse uitgever te vinden. Toch liet ik me niet ontmoedigen door de strijd die ik keer op keer moest leveren. Sterker nog, het sterkte me in mijn vastberadenheid om een bijdrage te leveren aan de opkomst van een nieuwe Afrikaans-Europeaanse avant-garde, waarin ieders vrijheid centraal staat, dus ook die van ontheemden die worden gedreven door een hunkering naar liefde en lust.