Taal als medeplichtige

Estimated read time 9 min read
MO Olijfboom compressed

Het lukte Ismail Ibrahim als enige Arabier bij een Amerikaans tijdschrift niet om ‘bezette’ toe te voegen aan ‘Westelijke Jordaanoever’, en om over ‘de Nakba’ te schrijven in plaats van ‘de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog’.

Ik werkte als factchecker bij een tijdschrift en mijn ouders zagen mij niet langer als een mislukkeling. Ik was dan wel geen arts of ingenieur, maar het blad zette hen in een gunstig licht; het toonde aan dat ze ruimdenkend genoeg waren om me een niet-traditioneel vakgebied te gunnen, maar tevens streng genoeg om nog steeds het allerhoogste van me te verlangen. Bijna twee jaar lang verliep alles voorspoedig. Ik was verzekerd en verdiende meer geld dan ooit. Op mijn werk checkte ik veel achterflappen van boeken, wat vaak filmbezoek en het lezen van romans onder werktijd met zich meebracht.

Antiamerikanisme

Factchecken bevordert het soort neuroses dat mij soms onuitstaanbaar maakt voor vrienden en familie. Op het werk kon ik onbezorgd zeggen dat ik de tiende symfonie van Mahler beter vond dan zijn negende, of een opmerking maken over de fascistoïde trekjes van het monument in Brooklyn ter herdenking van de Burgeroorlog. Toch wist ik wel dat bepaalde zaken niet als excentriek gedrag konden worden afgedaan, dus deed ik alsof mijn antiamerikanisme ironisch was bedoeld en te wijten aan te veel lectuur over ‘kritische theorie’ op de universiteit.

De politieke opvattingen van het tijdschrift waarvoor ik werkte, waren wat in de Verenigde Staten doorgaat voor centrumlinks. Het heersende principe was dat politiegeweld, staatsgrepen door de CIA, martelingen in geheime gevangenissen en institutionele vrouwenhaat afwijkingen waren van de Amerikaanse norm, die uiteindelijk zouden worden gecorrigeerd wanneer de lange boog van het morele universum daaraan toe zou zijn.

Ik sloot mezelf af voor dit soort domheid door nieuwsberichten rigoureus te vermijden, hoewel ik wist dat op een dag een aantal moslims die het Westen haatten een aantal westerlingen zou vermoorden. Ik moest op mijn tong bijten en artikelen checken die suggereerden, maar nooit ronduit stelden, dat Arabieren neigden naar bloeddorstigheid. Ik haatte het Westen ook. Ik haatte het dat westerlingen in restaurants altijd de rekening wilden splitsen, dat ze nooit voldoende verantwoordelijkheid namen voor bijvoorbeeld de uitvinding van het fascisme en kernwapens, of voor het veroorzaken van de Bengaalse hongersnood.

MO Olijfboom compressed edited scaled
Palestijnen zetten hun olijvenoogst voort onder de dreiging van aanvallen door zowel Israëlische troepen als kolonisten, op de velden van Hirbet Abu Fellah bij Ramallah, Westelijke Jordaanoever. – © Getty Images

Mijn haat bracht me in een lastige positie. Ik kon niet ‘naar huis’, omdat ik geen ’thuis’ had om anar terug te keren. Egypte, waar mijn famiile woonde, ging gebukt onder hoge inflatie en een militaire dictatuur, terwijl in de Emiraten, waar ik was opgegroeid, contractslavernij aan de orde van de dag was. Bovendien wilde ik schrijver worden, en schrijvers woonden in New York.

De aanslag vond plaats op een zaterdag, toen ik thuis een neutrale recensie probeerde te schrijven van een slechte roman. Terwijl het nieuws zich ontvouwde – deltavliegers, kalasjnikovs, een muziekfestival – liet ik mijn recensie voor wat die was en zat ik de rest van de dag op internet. Ik was er in realtime getuige van hoe de consensus zich vormde: de ochtend erna leek iedereen het er al over eens te zijn dat de gebeurtenissen van de dag ervoor uitsluitend konden worden geïnterpreteerd als zinloze barbarij of misschien een Iraans complot, maar absoluut niet als een begrijpelijke uiting van woede van een volk dat door de wereld aan zijn lot was overgelaten. Ik bleef laat op om een aantal van mijn gedachten op te schrijven, die vervolgens door een kleiner, linkser tijdschrift werden gepubliceerd. Mijn eigen overtuigingen verrasten me en ik was bezorgd dat ik misschien wel een einde had gemaakt aan wat ik was gaan beschouwen als ‘mijn carrière’.

Toen ik op mijn werk kwam, hield ik mijn koptelefoon op en trok mijn capuchon over mijn hoofd, zodat niemand met me zou praten. Dat bleek niet nodig; iedereen leek me te willen ontwijken. Er vielen al bommen op Palestina en het aantal doden liep met de dag op. Het enige waaraan ik kon denken was hoe Arabieren en moslims in deze en de vorige eeuw waren genaaid, en hoe weinig men daar om gaf. Overal in de VS werden Israël-kritische evenementen afgelast. Mensen werden ontslagen omdat ze opriepen tot een staakt-het-vuren of solidariteit met Palestina. Ik dacht dat ik misschien een van hen zou worden.

Goedkeuring

De hoofdredacteur kwam naar me toe. Mijn collega’s zeiden altijd dat hij ‘een goeie vent’ was. Ze wisten dat hij hun carrière kon maken of breken, en smachtten naar zijn goedkeuring. Als hij mensen ontsloeg, moest de rest van ons weten dat hij dat heel moeilijk vond. Hij onthield de namen van de kinderen van zijn werknemers en dronk goedkope prosecco met ons als er een prijs of promotie te vieren viel. Toen hij ging zitten brak het zweet me uit, bang dat ik ontslagen zou worden, hoewel het vreemd zou zijn geweest als hij dat daar, in het bijzijn van al mijn collega’s, zou doen in plaats van me naar zijn kantoor te roepen. ‘Ish,’ zei hij (een bijnaam die ik al op jonge leeftijd had aangenomen, toen duidelijk werd dat Engelstaligen mijn naam niet konden uitspreken). Zijn toon was somber. ‘Hoe gaat het met je?’ ‘Nou, niet zo goed.’

‘Het is zo triest,’ zei hij. ‘De vreugde die deze mensen voelen bij het moorden.’ Hij keek naar beneden en schudde zijn hoofd. ‘Je familie, is die veilig?’ Toen begreep ik dat hij me niet kwam berispen, maar dat hij op zoek was naar een gemeenschappelijke basis met mij, de enige Arabier op de redactie van het tijdschrift.

‘Ze zijn in Caïro,’ zei ik, ‘ver weg van de bomaanslagen. Maar we zullen zien hoe de situatie zich de komende maanden ontwikkelt.’

‘Het is zo triest. Ik begrijp het niet. Wat bezielde Hamas?’ Ik begreep niet waarom hij dit vroeg. Het leek me duidelijk dat ‘openluchtgevangenis’ geen metafoor was. ‘Ik weet het niet,’ zei ik. ‘Misschien dat ze liever staand sterven dan knielend leven?’

Hij staarde me geschokt aan. ‘Nou ja, niet dat ik het ermee eens ben,’ stamelde ik. ‘Ik zeg niet dat het goed is, ik wil alleen maar…’

‘Misschien dat ze liever staand sterven dan knielend leven?’

‘Dat is momenteel heel moeilijk voor mij om aan te horen,’ zei hij. Hij stond op en liep weg. Later die week vloog hij naar Israël om een verhaal te schrijven over de begrafenissen en de rouw in de kibboetsen. Op de een of andere manier werd ik niet ontslagen. Ik stopte met het checken van filmrecensies en bracht de daaropvolgende maanden door met het natrekken van het aantal mensen dat in Palestina was omgekomen en op welke manier, waarbij ik mensen belde om te vragen hoe hun familielid precies was gedood. Ik kreeg deze taak omdat geen van de andere checkers Arabisch sprak. Het leek me in de eerste plaats van belang dat de taal die we gebruik ten de gruwel van wat er gebeurde weerspiegelde. Maar het lukte me niet de meest elementaire veranderingen door te voeren: van ‘terrorist’ naar ‘militant’; ‘bezette’ toevoegen aan ‘Westelijke Jordaanoever’; van ‘Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog’ naar ‘de Nakba’.

Zo’n vier maanden na het begin van de oorlog in Gaza waren genocidedeskundigen het erover eens dat wat er in Palestina gebeurde genocide was, de misdaad der misdaden, en ik wachtte tot het tijdschrift dat ook zou zeggen. Ik probeerde met de hoofdredacteur te praten over het gebruik van dat woord in onze berichtgeving, maar hij zei dat het ‘volgens hem geen genocide was’. Door het opzichtige ontbreken van het woord in ons tijdschrift vermoedde ik dat hij het gebruik ervan aan de redacteuren had verboden.

Op zeker moment kreeg ik de opdracht een artikel te schrijven over de moorden en landroof die sinds 7 oktober 2023 straffeloos plaatsvonden op de Westelijke Jordaanoever. Het stuk ging vooral over een nederzetting waar een man die op een dag olijven was gaan plukken op zijn land was neergeschoten door een soldaat buiten dienst.

Mea Culpa

Hoewel deze gebeurtenis was gefilmd, is een factchecker verplicht commentaar te vragen aan partijen die van een misdaad worden beschuldigd. Ik belde de advocaat van de soldaat, die me vertelde dat zijn cliënt weliswaar had geschoten en het slachtoffer weliswaar was overleden, maar dat de Israëlische militaire rechtbank zijn cliënt niet schuldig had bevonden aan moord, omdat de man een stenen gooiende terrorist was geweest. Dat was op de video niet te zien geweest, maar de rechtbank zei dat hij het wel had gedaan, en dus was het zo. Zijn cliënt had niemand vermoord, dat was bewezen, en het zou laster zijn als wij dat zouden beweren.

Toen ik die dag van mijn werk kwam, kon ik alleen maar de afgelopen weken in mijn hoofd herbeleven. Ik dacht aan de traumatische reconstructies waaraan ik mijn bronnen had onderworpen, zonder dat het iets had uitgehaald. Ineens kwam het in me op: ik kon ook stoppen. Op elk moment kon ik gewoon vertrekken. Ik wist dat als ik op deze weg zou doorgaan – het tot in het kleinste detail in kaart brengen van de vernietiging van een volk zonder iets te doen om dat te stoppen – de feiten voor mij hun waarde zouden verliezen. Ik wist dat jaren – of misschien decennia – later, wanneer de helft van Gaza nog steeds in puin lag en de andere helft uit Israëlische wolkenkrabbers zou bestaan, het tijdschrift een mea culpa zou aanbieden. Ik vroeg me af hoe ik mijn geld moest verdienen nadat ik was vertrokken, maar het duizelde me bij de gedachte dat ik niet meer terug zou hoeven naar dat kantoor. Ik zou mijn overtuigingen niet langer reflexmatig hoeven te nuanceren of stilzwijgend op aangename toon geuite weerzinwekkende dingen hoeven aan te horen. Ik voelde me bevrijd.

You May Also Like

More From Author