Volgens The Guardian-columnist Nesrine Malik bestaat het conflict in Soedan uit twee overlappende tragedies: een catastrofale oorlog en een wereld die wegkijkt. ‘De mensen zijn sterk, maar niemand van ons ziet een uitweg.’
Een jaar geleden kwam Soedan in een oorlog terecht. De tol tot nu toe is catastrofaal. Duizenden mensen zijn omgekomen en miljoenen zijn ontheemd geraakt. Bij gebrek aan hulp wordt iedereen geteisterd door honger en ziekte. De VN hebben de situatie ‘een van de ergste humanitaire rampen in de recente geschiedenis’ genoemd, die ongeveer 25 miljoen mensen treft. Het Soedanese volk lijdt onder wat tot de grootste ontheemdingscrisis ter wereld is uitgegroeid.
De oorlog kwam plotseling, maar niet onverwacht. Na een veelbelovende revolutie in 2019 die dictator Omar al-Bashir ten val bracht, probeerden het leger en de Rapid Support Forces (RSF), een machtige militie, een overeenkomst te sluiten over de machtsdeling buiten de burgers om, maar uiteindelijk werden ze het niet eens. De samenwerking liep april vorig jaar stuk, waarna de RSF snel in actie kwam en hoofdstad Khartoem innam; een ongekend moment in de geschiedenis van het land. Daarna verspreidde de RSF zich al plunderende en moordend door de rest van het land.
Het leger – en nu gaan we langer terug –, dat de RSF in eerste instantie samenstelde uit restanten van de beruchte Janjaweed-troepen waarmee ze in Darfur samenwerkten om de opstand in de regio wreed te onderdrukken, is tot nu toe niet in staat gebleken de situatie weer onder controle te krijgen.
Twee tragedies
Wat zich hier afspeelt is niet zozeer een burgeroorlog als wel een oorlog tegen burgers, wier huizen, eerste levensbehoeften en levens op het spel worden gezet. Er spelen twee overlappende tragedies. De eerste is die van een land dat er tot vorig jaar in slaagde om zijn eenheid te bewaren, hoewel het geteisterd werd door conflicten en dictatuur. De heersende gedachte was dat er een uitweg uit de problemen was, waarna het zijn potentieel zou kunnen verwezenlijken.
De oorlog was, ondanks alles wat eraan voorafging, niet onvermijdelijk, maar het resultaat van een economisch model van centralisatie waarbij dominante partijen in het centrum van het land aasden op de omliggende gebieden en ze leeg roofden. Soedan was een van de grootste landen van Afrika, met een levendige kust aan de Rode Zee, vruchtbaar land aan de overkant van de Nijl en een grote culturele en etnische diversiteit waardoor het een brug kon vormen tussen Arabische en Afrikaanse landen. Maar het werd altijd tegengehouden door een paar machthebbers die weigerden te delen.
Naast het verlies van wat had kunnen zijn, zijn er de persoonlijke verliezen. Door de oorlog vond er al heel snel een massale onteigening plaats en daarmee een massale ontheemding. Iedereen die ik ken in mijn geboorteland is gemigreerd, hetzij binnen Soedan – soms schuilen ze voor de derde of vierde keer bij vrienden of familieleden nu de oorlog hen bereikt – hetzij daarbuiten. Iedereen, ook mijn familie, heeft zijn huis verlaten. Soms grepen ze snel wat ze konden voordat de RSF binnenstormde en hun eigendommen overnam.
Ook al is het al een jaar geleden, nog steeds heerst dat gevoel van schok, van ongeloof dat het echt gebeurd is, echt aan het gebeuren is. Het oorlogstoneel breidt zich steeds verder uit en vrede raakt steeds verder uit zicht. Ook het schrijven van deze woorden is een moeizaam, pijnlijk proces, alsof ik over glasscherven loop.
En wat nog schokkender is, is dat de wereld tot nu toe met niets dan onverschilligheid naar deze smeltkroes van oorlog heeft gekeken. De ‘vergeten oorlog’ wordt deze nu genoemd, wanneer er in de internationale media naar wordt verwezen. Er wordt weinig uitleg gegeven over waarom deze vergeten is, ondanks de ernst van de humanitaire situatie, de veiligheidsrisico’s en het feit dat kwaadwillige spelers zich ermee bemoeien, die enkel aan hun eigen belangen denken. Een voorbeeld zijn de Verenigde Arabische Emiraten, die de RSF de oorlog steunen en daarmee verlengen.
Op politiek niveau staat Soedan laag op de prioriteitenlijst van de westerse machthebbers, die weinig belang hebben bij het land
Een van de redenen voor de onverschilligheid is het escalerende conflict in het Midden-Oosten, dat de afgelopen zes maanden de wereldwijde en diplomatieke aandacht heeft gemonopoliseerd. Een andere reden is dat het voor verslaggevers in Soedan en de weinigen die erin slagen binnen te komen moeilijk en gevaarlijk is, met als gevolg een gebrek aan beelden, feiten en verhalen. Maar voor de rest, vermoed ik, is het denk ik te wijten aan die maar al te bekende reactie: dit is gewoon weer een Afrikaans land dat bezwijkt onder een hardnekkig conflict.
Dit is een andere oorlog dan die in Darfoer, die in voorgaande jaren de aandacht trok van beroemdheden, politici en zelfs het Internationaal Strafhof. En ook anders dan de oorlog tussen het noorden en het zuiden van Soedan, waar zo veel politieke druk op werd gezet dat er een vredesakkoord en afscheiding werden bewerkstelligd. Dit is niet, zoals in het verleden, een conflict tussen moslims en christenen of tussen Arabieren en Afrikanen, dat sympathie en verontwaardiging oproept. Het gaat om een nieuwe opkomst van politieke en economische ondernemers die de oude militaire regeringspartijen willen verdrijven – maar met een gebrek aan ervaring en geen enkele interesse in het daadwerkelijk besturen van in de tussentijd veroverde gebieden.
Op politiek niveau staat Soedan laag op de prioriteitenlijst van de westerse machthebbers, die weinig belang hebben bij het land. Ze isoleerden het wreed door middel van sancties of probeerden na de revolutie al even gehaast als naïef de twee gewapende partijen tot overeenstemming te brengen en op die manier terug te keren naar een gemilitariseerde, gecentraliseerde status quo.
Dit is het punt waarop ik gewoonlijk een mogelijke uitweg uit dit alles zou suggereren. Maar een jaar later is er niets dan rouw. Hoewel er enige troost is in de manier waarop Soedanezen hun weinige middelen hebben gebundeld en hun huizen voor elkaar hebben opengesteld, in de manier waarop vrijwilligers gemeenschapskeukens hebben opgezet en waarop verzetscomités, lokale burgerlijke opstandelingen die voor de revolutie van 2019 waren opgericht en tijdens die revolutie floreerden, nieuw leven zijn ingeblazen voor het bieden van medische hulp, voedsel en onderdak. Deze daden herinneren ons eraan dat een land niet een plaats is, maar een ziel. En dat die springlevend is en zelfs in de meest extreme omstandigheden niet uit te roeien, is nu opnieuw gebleken.