
Voor zeldzame aardmetalen is Europa bijna volledig aangewezen op Chinese export. Dat is een haast absurd economisch risico, schrijft Torben Kassler in Süddeutsche Zeitung. Maar is er een uitweg voorhanden: stoppen met het verspillen van die waardevolle grondstoffen.
Wanneer je met politici of vertegenwoordigers van de industrie spreekt over zeldzame aardmetalen – toegegeven, dat zal een niet-journalist zelden overkomen – volgt al snel een even zeldzame teneur. De importsituatie is ‘gespannen’, zegt een vrouwelijke expert van het Bundesverband van de Duitse industrie. De exportlicenties uit China zijn ‘niet toereikend’, zegt het verbond van de Duitse auto-industrie. Minister van economische zaken Katharine Reiche zei onlangs zelfs dat ‘op sommige plekken de productielijnen al stil liggen’. Als niet-journalist zou je dat waarschijnlijk zo samenvatten: We zijn de klos.
Wat het thema van de zeldzame aardmetalen betreft staat Europa voor een trilemma: in de eerste plaats is daar de industrie, die gevangen lijkt te zitten tussen een extreem stijgende vraag en de massieve afhankelijkheid van één enkele aanbieder. Dan is er ten tweede de uitzichtloze positie van Europa tussen de imperialistische kemphanen USA en China, en in de derde plaats een industriepolitiek van de EU die er op papier goed uitziet, maar waarvan de uitvoering op zich laat wachten.
Toch is er een oplossing die de bevoorradingssituatie weliswaar niet volledig oplost, maar naast het strategische probleem ook de ecologisch impact van de winning en raffinage van zeldzame metalen zou verminderen: Europa moet zijn omgang met de grondstoffen grondig overdenken.
De omschakeling op hernieuwbare energie zouden zonder zeldzame aardmetalen slechts utopische gedachte-experimenten zijn
De zeventien stoffen die het begrip ‘zeldzame aardmetalen’ omvat worden wel de metalen van de toekomst genoemd. Geen high-tech industrie kan zonder. Of het nu Yttrium en Europium zijn in de lichtgevende stoffen van moderne beeldschermen of neodymium en praseodymium die onmisbaar zijn in de legeringen van straaljagermotoren. Maar de grootste behoefte aan zeldzame metalen bestaat bij de vervaardiging van permanente magneet: neodymium, samarium, praseodymium, dysprosium, terbium en gadolinium staan hier bovenaan de lijst. Zonder deze permanente magneten zouden bijna alle belangrijke industrieën hun productie moeten staken.
Want ook al worden ze steeds in relatief geringe hoeveelheden gebruikt – in de batterij van een mobieltje bijvoorbeeld zit maar 0,4 gram neodymium en in de motor van een elektrische auto slechts ongeveer drie kilo – de zeldzame metalen zijn onmisbaar voor het functioneren van deze producten. Geen windmolen zou zonder nog stroom opwekken, geen elektromotor een carrosserie aandrijven, geen geleide raket zijn doel vinden. De omschakeling op hernieuwbare energie zouden zonder zeldzame aardmetalen slechts utopische gedachte-experimenten zijn.
In het afgelopen jaar hebben Duitse ondernemingen ongeveer 12.300 ton van die metalen en daaruit bestaande permanentmagneten geïmporteerd, volgens de Duitse Rohstoffagentur (Dera), bijna 8000 ton meer dan pas vijf jaar geleden. En op langere termijn gaat de trend nog verder omhoog. Experts van het internationale energieagentschap (IEA) verwachten dat de vraag tot 2040 met drie- tot zevenmaal toeneemt, alleen al voor het halen van de Europese klimaatdoelen. De universiteit Löwen komt in een studie tot 2050 zelfs uit op zeven tot zesentwintig keer zo veel.
Helemaal niet zo zeldzaam
Op zich zou deze stijgende vraag geen groot probleem zijn: die zeldzame metalen zijn feitelijk helemaal niet zo zeldzaam, sommige komen vaker in de aardkorst voor dan lood of goud. Het probleem ontstaat door de dominantie die een enkele staat bezit op de wereldmarkt van zeldzame metalen: meer dan 70 procent van het wereldwijde aanbod en rond de 90 procent van de verdere verwerking zijn momenteel in Chinese handen. En terwijl dit laatste cijfer weliswaar volgens schattingen van de IEA tot 2040 zal dalen tot ‘slechts’ 76 procent, kan niemand die deze felbegeerde metalen wil bemachtigen op dit moment om de volksrepubliek heen.
Al vroeg heeft China de toekomstige relevantie van zeldzame aardmetalen onderkend: ‘Het Midden-oosten heeft olie, wij hebben zeldzame aardmetalen,’ zou de toenmalige regeringsleider Deng Xiaoping al in 1987 gezegd hebben. In de volgende decennia breidde China zijn monopoliepositie uit, in eigen land – ongeveer 40 procent van de wereldwijde reserves van zeldzame metalen bevindt zich in China –, maar ook in de rest van de wereld. Inmiddels staat de volksrepubliek China relatief alleen aan de top wat know-how en techniek betreft; experts schatten hun voorsprong in ontwikkeling op tien tot vijftien jaar.
Lange tijd heeft deze dominantie nauwelijks iemand verontrust. China was weliswaar politiek omstreden, maar zolang de Chinese mijnbouw- en raffinagebedrijven de milieuonvriendelijke bewerkingsprocessen binnen de eigen landsgrenzen hielden en voordelige grondstoffen leverden aan de Europese bedrijven – tja, waarom zouden we daar bezwaar tegen maken? Deze zorgeloosheid veranderde pas toen China in 2010 zijn monopolie als drukmiddel tegen buitenlandse ondernemingen inzette en exportbeperkingen oplegde. In de handelsoorlog tussen de VS en China vanaf 2018 gebruikte de volksrepubliek haar monopoliepositie opnieuw om in geopolitieke kwesties druk uit te oefenen.
Europa bevindt zich nu in een tamelijk hopeloze positie
Europa werd zich pijnlijk bewust dat zijn hightech-economie weinig waard is zonder toegang tot grondstoffen, en dat vrije wereldhandel, als het erop aankomt, minder betrouwbaar is dan gehoopt. Tegelijk werd duidelijk dat de Volksrepubliek China allang geen opkomend ontwikkelingsland meer is, maar een volwaardige rivaal voor de Amerikaanse hegemonie.
Dat zou in een coöperatieve wereldorde geen onoverkomelijk probleem zijn. Maar op zijn laatst sinds Trumps aantreden is helder dat die tijd voorbij is. Zijn protectionisme kwam niet uit de lucht vallen; het is mede een reactie op de economische uitdaging vanuit Oost-Azië. In de Süddeutsche Zeitung schetste politicoloog Ulrich Menzel een komende fase van imperialistische krachtmetingen tussen de VS en China – inclusief handels- en afgeleide oorlogen. Verrassend is dat niet: de strijd om dominantie is de kern van een wereldwijd economisch systeem met globaal concurrerende actoren. Economische dominantie als voltooiing van de concurrentie: het basisprincipe van economisch imperialisme.
Europa bevindt zich nu in een tamelijk hopeloze positie. Aan de ene kant, zuiver economisch gezien, moeten we goede relaties met China zien te behouden om de toekomst van de eigen industrie te verzekeren. Aan de andere kant staan we, historisch en politiek gezien, aan de kant van de VS. Om dat zo te houden grijpt de president van de VS graag naar middelen die we eigenlijk alleen kennen uit maffiafilms. Neem het voorbeeld van Huawei: toen Trump het gebruik van Chinese hardware in federale overheidsinstanties verbood en Europa zich daar niet bij aan wilde sluiten, dreigde de VS met een herziening de samenwerking tussen de geheime diensten van de VS en de EU-landen – uitgerekend een jaar na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne, waarin data van de Amerikaanse geheime diensten onmisbaar zijn voor de Oekraïense verdediging.
Recycling
Wat kan Europa nu doen? Welnu, blijkbaar had Brussel na het begin van de Amerikaans-Chinese handelsoorlog in 2018 toch iets geleerd en is er in 2024 met de Critical Raw Materials Act (CRM Act) ten minste een basis gelegd. De Europese soevereiniteit qua grondstoffen moet berusten op drie pijlers: winning, raffinage en verdere bewerking binnen Europa; diversifiëring van de landen waaruit geïmporteerd wordt; en het opbouwen van recyclecapaciteit.
Op minstens twee punten lopen we al snel tegen harde grenzen aan. Ten eerste zijn de Europese vindplaatsen van zeldzame aardmetalen bij lange na niet toereikend. Zelfs met de twee jaar geleden ontdekte reserves in Zweden – waarvan de winning overigens pas over tien tot vijftien jaar kan beginnen – zal de Europese mijnbouw niet meer dan 10 procent van de Europese vraag bedragen. Bovendien bemoeilijken EU-milieuregels en de afwijzende houding van de bevolking de uitvoering van verder mijnbouwplannen. Ook de diversificering van aanvoerketens kan slechts een klein deel voor zijn rekening nemen. Zelfs bij ‘slechts’ 76 procent van de verwerking in Chinese handen in het jaar 2040, volgens de schatting van de IEA, moeten de overige 24 procent tussen alle westerse industrieën worden verdeeld.
Dan blijft dus alleen nog massale uitbreiding van de recycling over. Momenteel wordt minder dan 1 procent van de zeldzame metalen uit schroot teruggewonnen. Hierin schuilt de grootste kans voor Europa: want alleen uit recycling kan volgens de studie van de Universiteit Löwen vanaf 2040 tot wel 65 procent van de Europese behoefte gedekt worden. De technologieën om deze cijfers te halen zijn in experimenteel stadium al voorhanden. Maar voor de realisering op industriële schaal is een radicale koerswijziging in de politiek nodig, want lange tijd zal het recyclen van zeldzame aardmetalen een verliesgevende zaak blijven.
Zolang zeldzame aardmetalen als heel normale grondstoffen behandeld worden, gebeurt er niets
Voor de opbouw van de benodigde recyclecapaciteit moeten er drie dingen gebeuren. Eerst moet de EU een kader scheppen dat ondernemingen in staat stelt om snel, gecoördineerd en ongecompliceerd te investeren in onderzoek en ontwikkeling van recycling. Daarvoor moeten we bureaucratische drempels wegnemen en EU-breed ruimte creëren waarin onderzoek en bedrijfsleven samen sneller vooruitgang boeken. Op andere strategisch belangrijke gebieden bleken zulke EU-inspanningen mogelijk, bijvoorbeeld op het gebied van cyber security of defensievraagstukken. En al heeft de EU met de CRM Act al enige politieke wil in deze richting getoond, we zijn er nog niet.
In de tweede plaats moeten de ondernemingen deze investeringen ook daadwerkelijk doen, om onderzoek en ontwikkeling zo snel mogelijk te kunnen vertalen in industriële realiteit. Om een voorsprong als die van de Chinezen in te halen moeten reusachtige hoeveelheden kapitaal en personeel worden vrijgemaakt. Gezien de strategische relevantie is dat niet alleen een opgave voor het bedrijfsleven, er is een mix van subsidies, garanties en fiscale prikkels nodig om de aanlooprisico’s te overbruggen. Want vrijwel geen enkele onderneming zal miljarden aan startkapitaal investeren om over tien, misschien pas twintig jaar te kunnen zeggen: ‘Nou, nu zijn we toch mooi strategisch belangrijk geworden!’
Daarom is voor punt een en punt twee vooral punt drie nodig: een ommezwaai in het denken van politici en industriebazen. Zolang zeldzame aardmetalen als heel normale grondstoffen behandeld worden, gebeurt er niets. Beslissers in politiek en bedrijfsleven moeten beseffen dat het bij kritieke grondstoffen zoals zeldzame aardmetalen niet draait om korte- en middellangetermijnwinsten, maar om het veiligstellen van de Europese industriële toekomst op de lange termijn. Zo’n besluiteloos en aarzelend optreden als na 2010 of 2018 kan Europa zich, gezien de verscherping van het conflict tussen de VS en China, niet langer permitteren. Anders is het straks niet alleen een provocatieve economiejournalist, maar de top van VW, Rheinmetall en Siemens die ronduit zegt: ‘We zijn de klos.’