
De 87-jarige kanunnik Paul Wancura leidde een stil, bevoorrecht leven. Maar na zijn akelige dood volgde er een rechtszaak omtrent seksueel misbruik. Was er een verband?
Op Shelter Island in de staat New York valt meestal weinig te beleven. Dit eilandje van 32 vierkante kilometer, dat ingeklemd ligt tussen de North en de South Fork van Long Island, is typisch zo’n plek waar iedereen elkaar kent, waar je je auto niet op slot hoeft te doen en waar mensen al twintig jaar geen groter gevaar te duchten hebben dan een teek besmet met de ziekte van Lyme. Maar dat veranderde op slag in maart 2018, toen kanunnik Charles McCarron op het eiland het verzoek kreeg poolshoogte te gaan nemen bij een andere predikant van de Episcopaalse Kerk die daar woonde. Die priester trad sinds enige tijd op als invaller in een gemeente op Long Island, maar was die dag niet voor de dienst komen opdagen. McCarron reed dus naar zijn woning in Silver Beach, een stille wijk met veel dure vakantiehuizen. Eenmaal aangekomen bij het witte huis met de woudgroene luiken zag hij vanaf de oprit de garagedeur wijdopen staan. Hij kon zo binnenlopen en riep zijn collega.
‘Help! Help’ klonk het vanuit de slaapkamer. Daar hing een enorm kruis boven het bed, groot genoeg om in een kerk op te stellen. En tussen het bed en de muur lag kanunnik Paul Wancura op zijn buik op de hardhouten vloer, de polsen en enkels met tiewraps vastgebonden. De 87-jarige Wancura lag daar volgens de autoriteiten al enkele dagen en werd nu overgevlogen naar het academisch ziekenhuis van Stony Brook University, waar zijn linkerhand moest worden afgezet. In de weken daarna kreeg hij sepsis, waaraan hij half april overleed.
De eilanders waren geschokt. Aan zware misdaad waren ze niet gewend, al sinds 1998 was er op het eiland geen moord meer gepleegd. Maar het maakte ook de tongen los: wie zou een tachtiger, een geestelijke nog wel, zo willen folteren? Welk verhaal zat hierachter? Veel eilandbewoners vragen zich dit nog steeds af. En een recente aantijging van seksueel misbruik roept alleen maar meer vragen op over deze onopgeloste moord, die zowel Wancura’s voormalige parochianen als de politie nog steeds voor een raadsel stelt.
‘Waar hij ook verscheen, hij zag er altijd keurig uit, piekfijn gekleed’
De Caroline Church in Setauket, een gehuchtje op de North Shore van Long Island, dateert van 1729 en is de oudste Episcopaalse kerk met een actieve gemeente in de streek. In de witte torenspits zitten nog kogelgaten uit de Amerikaanse Revolutie. Totdat in 1863 de slavernij werd afgeschaft, zaten de slaafgemaakte gelovigen op het balkon achterin. Wancura werkte hier als predikant van halverwege de jaren zeventig tot eind jaren negentig. Hij doopte kinderen, gaf preken, zegende huwelijken in en leidde elke zondag drie erediensten. Het leek dus gepast om hem daar te begraven. Nu deelt hij een grafsteen met zijn vrouw Helena Rommel Wancura, die elf jaar eerder was gestorven en naast hem ligt op het kerkhof rondom het historische kerkgebouw met zijn rode deur, zijn puntdak en zijn witte houten wanden.
Bij navraag schetsen verschillende huidige en voormalige gemeenteleden een beeld van Wancura als excentrieke levensgenieter. Een gezelligheidsmens die in zijn tijd als predikant graag op borrels kwam. Maar ook een emotioneel afstandelijke man, zo luidde het, met een paar opvallende eigenaardigheden, zoals een geaffecteerd Brits accent, terwijl hij toch geboren en getogen was op Long Island. Katie Harrison, die in de jaren tachtig door hem in de echt was verbonden, herinnert zich zijn voorliefde voor gin van het merk Bombay Sapphire en zijn indringende blauwe ogen. ‘Als hij je aanstaarde, voelde het alsof hij zo door je heen keek.’
Wancura’s vrouw had veel geërfd, en met dat geld kochten ze onder meer een vakantiehuisje op Shelter Island, waar ze na zijn pensionering permanent gingen wonen. Na haar dood bleef Wancura erg op zichzelf. Ook op het eiland had hij het imago van een goedgeklede oudere man met een paar typische trekjes. Een van zijn buren zegt dat Wancura graag in de oude cabrio van zijn vrouw rondreed en altijd toeterde bij het passeren van hun huis, ook al kenden ze elkaar nauwelijks.
‘Hij was een in het oog springende figuur op het eiland,’ zegt McCarron. ‘Waar hij ook verscheen, hij zag er altijd keurig uit, piekfijn gekleed.’ Hij was er de man niet naar om rond te hangen in gelegenheden als The Chequit, een oud hotel waar eilandbewoners volgens McCarron graag wat komen drinken. Als hij hem sprak, was het altijd bij Wancura thuis. McCarron wist dat de kanunnik geen volkse smaak had: hij kon daar niet komen aanzetten met een zak chips, dus nam hij toastjes, paté en cornichons mee. Hij weet nog dat Wancura hem eens ontving in een blazer met koperen knopen en een choker. Voor de meeste mensen was Wancura een traditionele maar amusante en lichtelijk excentrieke geestelijke van de oude stempel. Hij genoot respect in zijn gemeente, zonder dat de gelovigen hem echt goed kenden of begrepen.
Achter gesloten deuren
Maar Lew Crispin III, die van 1975 tot 1990 in Setauket opgroeide en daar een groot deel van zijn jeugd naar de kerk ging, schetst een veel zwarter beeld van de priester. Hij beweert dat hij jarenlang door Wancura is misbruikt, zowel in de kerk als daarbuiten. Zo beschrijft hij hoe de kanunnik, als hij na afloop van de dienst op het gazon buiten de kerk afscheid nam van de gelovigen, Crispin tegelijkertijd liet voelen dat hij hem in zijn macht had. ‘Hij deed dan alsof hij me de zegen gaf, maar drukte ondertussen zijn erectie tegen me aan,’ zegt hij.
Afgelopen augustus, meer dan drie jaar na Wancura’s dood, spande Crispin een civiele rechtszaak aan tegen drie partijen, waaronder de Caroline Church en het bisdom Long Island van de Episcopaalse Kerk. Hij eist twintig miljoen dollar schadevergoeding en zegt te zijn aangemoedigd om ermee naar buiten te treden door een vriend van een vriend die zelf slachtoffer van seksueel misbruik werd als leerling op St. David’s School, een katholieke jongensschool in Manhattan. ‘Ik kan moeilijk geloven dat ik de enige ben die dit is overkomen,’ zei Crispin (51) afgelopen najaar in een interview via Zoom. Zijn advocaat Gil Santamarina nam ook deel aan het gesprek. ‘Het probleem is groter dan wat mij alleen is overkomen,’ zegt Crispin. ‘Ik wil de cultuur van de Caroline Church aan de kaak stellen.’
Alle drie de gedaagde partijen hebben hun eigen advocaat. Philip Semprevivo Jr. vertegenwoordigt de Domestic and Foreign Missionary Society, het zendingsgenootschap van de episcopaalse kerk, en wil ‘geen commentaar geven op een lopende rechtszaak’. Dennis Perlberg, die optreedt voor het bisdom van Long Island, wil ook geen commentaar geven, en James Weller, hoofd juridische zaken van het bisdom, reageert niet op telefoontjes en mails. Ook de advocaten van de Caroline Church hebben ondanks herhaalde pogingen om contact te krijgen nooit gereageerd.
‘Ik had hem graag als tachtigjarige kindermisbruiker de gevangenis in zien gaan’
Crispin, een reus van bijna een meter negentig en bijna 140 kilo met een grijzend baardje, is een indrukwekkende verschijning, zelfs op het computerscherm. Toch heeft hij een kwetsbare en zachtaardige uitstraling. Hij vindt het achteraf moeilijk te geloven dat geen enkele volwassene doorhad dat de priester herhaaldelijk nauwe contacten had met een minderjarige, en dat daar iets ernstig misging. Dit jeugdtrauma werkt door in alle facetten van zijn leven, zegt hij. Hij heeft geworsteld met verslaving, kan zijn woede slecht beheersen en heeft perioden van depressie en dakloosheid gekend. Hij is nu afgekickt en woont in North Carolina, waar hij andere ex-verslaafden bijstaat. Maar hij vertelt dat hij al in de veertig was eer het hem lukte een normale baan te houden, laat staan een relatie op te bouwen. Hij wordt panisch bij de gedachte om zelf kinderen te krijgen. Toen hij voor het eerst over de dood van Wancura hoorde, voelde hij vooral spijt. ‘Ik vind het jammer dat hij dood is,’ zegt Crispin. ‘Ik had hem graag als tachtigjarige kindermisbruiker de gevangenis in zien gaan.’
In december wilde het advocatenkantoor van Semprevivo de zaak niet ontvankelijk laten verklaren omdat Crispin en zijn advocaat onvoldoende bewijzen aandroegen. De advocaat van Crispin heeft daar bezwaar tegen aangetekend. Vorige maand dienden ook het bisdom en de Caroline Church een verzoek in om de zaak te seponeren, met als argument onder meer dat hun cliënten niet aansprakelijk kunnen zijn voor het vermeende seksuele misbruik door Wancura. Nu is het afwachten of de rechter de zaak toch in behandeling neemt.
Crispin voelde zich als kind altijd een buitenstaander in het welgestelde gehuchtje Setauket, waar hij is opgegroeid. Hij had een alleenstaande moeder, die na een ongeval enkele jaren met een zware handicap kampte. Het gezin was afhankelijk van giften en liefdadigheid. De eerste en enige keer dat hij haar vertelde dat hij misbruikt was, was als tiener. Ze zei toen dat ze ‘me niet geloofde en er nooit meer over wilde praten’, zegt hij. Met als resultaat dat hij er uit schaamte jarenlang over heeft gezwegen.
Het duurde jaren voordat hij er weer over durfde te praten. Dat was in de jaren negentig, toen hij begin twintig was en werkte als kok. Op een avond had hij een diner aan huis verzorgd bij een jeugdvriend op Long Island, en hij weet nog dat hij een beetje aangeschoten was. Na de maaltijd raakte hij in gesprek met een van de gasten, een therapeut uit Stony Brook, en ze kwamen te spreken over de Caroline Church. ‘Paul Wancura is geen goed mens,’ zei Crispin, waarop hij naar buiten liep en moest overgeven.
Het duurde jaren voordat hij er weer over durfde te praten
De therapeut heeft gevraagd om haar naam niet te vermelden, aangezien ze nog steeds in de streek woont en soms naar die kerk gaat, maar zij bevestigt dit relaas. Ze zegt erbij dat een predikant in de streek die een familievriend is, de kanunnik John Davis, haar later vertelde dat het bisdom op de hoogte was van mogelijk misbruik door Wancura. Dat strookt met de beschuldigingen van Crispin op die avond en in zijn pleidooi voor de rechter jaren later. Davis is in 2005 overleden.
Sinds een jaar of twee volgt Crispin bij een deskundige een therapievorm die hem heeft geholpen herinneringen aan het misbruik op te diepen. Vorige maand heeft hij een aantal van die herinneringen, die hij tot dan toe zegt te hebben verdrongen, aan zijn advocaat Santamarina verteld: toen hij een jaar of acht was, nam Wancura hem mee naar de kelder van de kerk en vroeg hem met zijn penis te spelen tot hij ejaculeerde. Dat misbruik bleef hij af en toe plegen tot Crispin dertien was, zegt hij. Hij werd in de kelder van de kerk tot orale seks gedwongen. En in het laatste jaar dat het misbruik plaatsvond, 1983, zegt Crispin herhaaldelijk door Wancura te zijn verkracht na de koorrepetities voor de mis op kerstavond. Hij heeft daardoor nog jarenlang last gehad van fecale incontinentie. Hij had zijn moeder beloofd dat hij bij de kerk zou blijven tot zijn confirmatie, en die belofte is hij nagekomen, maar hij stapte wel uit het koor en ging niet meer naar de zondagsdienst. Op zijn vijftiende, in 1985, trad hij voorgoed uit de gemeente.
Zijn civiele claim is ingediend op 13 augustus 2021, de dag voordat de tijdelijke wet afliep waarmee de verjaringstermijn van kindermisbruik in de staat New York werd opgerekt. Hij lijkt de enige te zijn die een officiële klacht over misbruik van Wancura heeft ingediend. (Voor een groot deel van Suffolk County, waar Setauket onder valt, gaan de doorzoekbare elektronische politiebestanden niet verder terug dan 1992.)
In zijn civiele klacht heeft Crispin ook de niet met bewijzen gestaafde bewering opgenomen dat de aanslag op Wancura in maart 2018 waarschijnlijk een vergeldingsactie was. Er staat: ‘De omstandigheden van de aanslag op de predikant blijven onopgelost en in nevelen gehuld, maar er is reden om aan te nemen dat de dader er vooral op uit was om hem te folteren, niet om hem te beroven.’ Rechercheur Kevin Beyrer van de politie in Suffolk County, die leiding gaf aan het onderzoek, zegt dat de aantijgingen van seksueel misbruik niet relevant zijn voor het moordonderzoek. ‘Hij was een heel geliefde predikant,’ zegt Beyrer. ‘Uit alles wat we over hem horen, komt hij naar voren als een gerespecteerd lid van de kerk en van verschillende gemeenschappen op Long Island.’
Moord of inbraak?
Wancura heeft de politie nog te woord kunnen staan voordat hij in het ziekenhuis overleed, maar Beyrer wil niet zeggen of hij daarbij iets over de aanslag heeft verteld. Sinds Shelter Island in 1730 officieel een gemeente werd, zijn er maar twee moorden gepleegd. Dat de zaak uit 2018 nog steeds niet is opgelost en te boek staat als een gewelddadige moord, blijft aan de bewoners knagen. ‘Daar verloren we onze onschuld,’ aldus Ambrose Clancy, die als hoofdredacteur van The Shelter Island Reporter over de zaak heeft bericht.
Het kan simpelweg een uit de hand gelopen inbraak zijn geweest. Beyrer zegt dat er een gouden Lucien Piccard Seashark-horloge ter waarde van 2500 dollar is ontvreemd, dat nog niet is opgedoken bij pandjeshuizen in de streek. Deze theorie wordt gestaafd door een andere inbraak in dezelfde straat een week of twee later, al werd daarbij niets gestolen. ‘Ze hadden alle kasten uitgehaald en alles op de vloer gesmeten,’ zegt Linda Brienza over het vakantiehuis dat al vijfenveertig jaar haar eigendom is. ‘Gelukkig waren wij er niet.’ (Enkele jaren geleden heeft haar dochter voor vier miljoen dollar het huis van Wancura gekocht.)
Vier jaar na de moord zijn er nog steeds meer vragen dan antwoorden. ‘Hoe heeft dit kunnen gebeuren, op dit stille eilandje waar nooit iets gebeurt?’ aldus Deborah Endemann, wier familie hier al sinds de jaren veertig de zomers doorbrengt. En Rebecca Shafer, een makelaar die bij het voormalige huis van het echtpaar Wancura om de hoek woont, zegt dat zij als enige in de wijk ook thuis was ten tijde van de inbraak die de predikant fataal werd. ‘Ik voelde intuïtief aan dat dit geen willekeurige aanval was geweest,’ zegt ze. ‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik mijn auto of mijn huis op slot moet doen. Nog steeds niet.’
Op een persconferentie in 2018 leek dit beeld te worden bevestigd door het toenmalige waarnemend hoofd van de politie in Suffolk County, Stuart Cameron, toen hij zei dat het hier niet om willekeurig, maar om heel gericht geweld ging. McCarron krijgt er nog steeds vragen over van de eilanders. ‘Het kan prettig zijn om in zo’n hechte gemeenschap te wonen,’ zegt hij, ‘maar het betekent ook dat iedereen het meteen weet als je een keer met het verkeerde been uit bed bent gestapt, een affaire hebt of dronken bent.’ Volgens de korpschef van Shelter Island, James Read, die al vijfendertig jaar bij dit korps werkt, is het dossier nog lang niet gesloten en is hij vastbesloten het af te ronden. ‘Ik zwaai niet af voordat deze zaak is opgelost.’