Kan een land te rijk worden?

Estimated read time 5 min read
Munch

Dankzij zijn oliereserves heeft Noorwegen een economie opgebouwd die zijn bevolking op elk vlak steun kan bieden. Toch beginnen de valkuilen van uitzonderlijke welvaart te verschijnen.

Noorwegens eerbetoon aan Edvard Munch, de beroemdste schilder van Scandinavië, is een indrukwekkend dertien verdiepingen tellend blok van gerecycled aluminium en glas aan de haven van Oslo. Het museum, dat in 2021 werd voltooid voor 350 miljoen dollar, liep tien jaar vertraging op en ging fors over budget – er kwam nog eens 200 miljoen dollar bij. Op een winterse middag, oprijzend uit de dichte zeemist, belichaamt het museum het land dat ervoor betaalde: verfijnd en zo rijk dat geld geen rol meer speelt.

Noorse olie heeft een economie voortgebracht waar andere rijke landen jaloers op zijn – laat staan armere landen. Het bbp per hoofd bedraagt zo’n 90.000 dollar en wordt alleen overtroffen door dat van stadstaten, belastingparadijzen en Zwitserland. Sinds 1991 heeft de overheid een staatsinvesteringsfonds opgebouwd ter waarde van 2,2 biljoen dollar, oftewel 400.000 dollar per inwoner van de 5,6 miljoen tellende bevolking. De opbrengsten financieren een van de gulste verzorgingsstaten ter wereld.

Vervormd gedrag

Maar niet iedereen is daar even blij mee. In 2025 was de bestverkochte non-fictietitel van het land The Country that Became Too Rich, een aanval op het economische model van econoom en voormalig McKinsey-consultant Martin Bech Holte. Hij beschreef hiermee een groeiend sentiment. Bij de verkiezingen van afgelopen september ging de grootste winst naar de centrumrechtse Vooruitgangspartij, die stelde dat Noorwegen ‘problemen probeert op te lossen door er simpelweg meer geld tegenaan te gooien’. De zorg is dat de rijkdom ieders gedrag vervormt – van politici tot kantoormedewerkers en scholieren. Wie kan rekenen op een royale uitkering, maakt zich minder zorgen over de toekomst. Kan de welvaart van een land zijn vooruitzichten ondermijnen?

Volgens Bech Holte heeft de groei van het staatsfonds – dat door olie-inkomsten en beleggingsrendementen in het afgelopen decennium is verdubbeld – Noorse politici spilzuchtig gemaakt. Hoewel het fonds alleen in het buitenland investeert om de binnenlandse economie niet te verdringen, vloeit er geld terug naar de overheid, die daarmee het gat tussen uitgaven en belastinginkomsten dicht. In 2008 bedroeg die bijdrage nog een bescheiden 36 miljard Noorse kronen (toen 6,4 miljard dollar), minder dan 5 procent van de overheidsuitgaven. In 2025 kwam een vijfde van de uitgaven – 414 miljard kronen (40 miljard dollar) – uit het oliefonds.

Dat heeft ongewenste gevolgen. Politici kunnen moeilijke beslissingen uitstellen. Kiezers zien weinig reden om hun eisen te matigen. Neem de gezondheidszorg, de grootste uitgavenpost van de overheid. Medische zorg is in Noorwegen gemiddeld 30 procent duurder dan in de Europese Unie. Maar waarom ziekenhuizen hervormen als je er gewoon meer geld tegenaan kunt gooien? Denemarken, dat ongeveer evenveel per hoofd uitgeeft, heeft de wachttijden voor routineoperaties twee keer zo snel weten te verkorten als Noorwegen.

Politici kunnen moeilijke beslissingen uitstellen. Kiezers zien weinig reden om hun eisen te matigen

Weinig politici nemen nog de moeite om de kosten en baten van beleid zorgvuldig af te wegen, aldus een parlementariër. Dat probleem bestaat elders ook, maar Noorwegen lijkt er bijzonder gevoelig voor. Net als bij het Munchmuseum duurde de renovatie van het parlementsgebouw in Oslo vier jaar in plaats van één en waren de kosten zes keer zo hoog als begroot. In 2023 besteedde de regering 250 miljard kronen – de helft van haar belastinginkomsten op arbeid en kapitaal – aan buitenlandse hulp en binnenlandse liefdadigheidsorganisaties. Dat is een hoge prijs om goodwill in het buitenland te kopen en zorgen over het klimaat thuis te temperen. In Groot-Brittannië ligt dat aandeel onder de 10 procent.

Noorse burgers zijn nauwelijks minder spilzuchtig dan hun vertegenwoordigers. De gemiddelde huishoudschuld bedraagt 250 procent van het jaarinkomen – het hoogste niveau in Europa. Als je erop kunt rekenen dat de nationale rijkdom je uit de brand helpt, voelt sparen voor slechtere tijden minder urgent.

Ook de noodzaak om überhaupt inkomen te genereren neemt af. Bijna een op de tien Noren in de twintig is werkloos, tegenover een op de twintig Denen. Het percentage school- en universiteitsuitval behoort tot de hoogste in Europa. Het hoger onderwijs biedt onbeperkt gratis opleidingen en genereuze studieleningen. Dat moedigt studenten aan om hun studie uit te stellen, te wisselen en langer te blijven studeren. Het resultaat is een hoogopgeleide bevolking: meer dan 70 procent van de werknemers in laaggeschoolde dienstverlenende banen (zoals barista’s en callcentermedewerkers) heeft een masterdiploma. Mensen met een migratieachtergrond vervullen 100.000 onderzoeksbanen in wetenschap en techniek – de helft van het totaal. Nog eens 100.000 vacatures moeten tegen 2030 worden ingevuld.

Houdbaarheid

Deze financiële losbandigheid begint de economie al te schaden. De centrale bank aarzelt om de rente te verhogen ondanks hoge schulden, wat de kroon verzwakt en buitenlandse investeerders afschrikt. De arbeidsproductiviteit groeit niet meer. De reële lonen beginnen te dalen.

Je zou kunnen stellen dat dit alles niet uitmaakt zolang het land voor zijn bevolking kan blijven zorgen. Economische groei is politiek gezien belangrijk omdat ze het welzijn van burgers garandeert: direct via werk en indirect via uitkeringen. In theorie kan dat welzijn ook worden gefinancierd uit vermogensopbrengsten in plaats van productie. Zolang het nationale vermogen sneller groeit dan de overheidsuitgaven, kan dat model blijven bestaan.

Tot nu toe is dat het geval in Noorwegen. Hoewel de staat in 2025 tien keer zo veel geld uit het fonds haalde als in 2008, was dat relatief gezien een kleiner aandeel van het totale vermogen. Zolang de reële rendementen boven de 6 procent blijven, kan de overheid mogelijk nog lang na het opdrogen van de olie – over zo’n vijftig jaar – de belastingen verlagen en de uitgaven blijven verhogen.

Zo’n redenering is echter zelfgenoegzaam, om twee redenen. Ten eerste is een rendement van 6 procent in de praktijk onzeker, tenzij kunstmatige intelligentie de wereldproductiviteit sterk verhoogt. Ten tweede – en belangrijker – heeft een bloeiende economie voordelen die verder gaan dan louter bestaanszekerheid. Politici zijn beter controleerbaar als ze belasting moeten heffen. Buitenlandse investeerders brengen kennis mee. Veel mensen halen voldoening uit werk. Dat alles draagt bij aan menselijk welzijn. Niemand hoeft Noorwegen zijn rijkdom te misgunnen – behalve, als ze verstandig zijn, de Noren zelf.

You May Also Like

More From Author