Het afgelopen jaar waarschuwden de spotters van de Israel Defense Forces aan de grens met Gaza – allemaal vrouwen – dat er iets vreemds aan de hand was. Ze werden niet serieus genomen. ‘Het was anders geweest als er mannen achter die schermen hadden gezeten.’
Drie dagen na het door Hamas aangerichte bloedbad van 7 oktober in het zuiden van Israël kreeg Mai – een spotter in de Gaza-divisie van de Israëlische strijdkrachten (IDF) die de aanval op haar basis nabij de grens overleefde – thuis een telefoontje.
Aan de lijn was iemand van de personeelsafdeling van het leger. ‘Als je niet terugkeert naar je post,’ kreeg ze te horen, ‘is dat verzuim in oorlogstijd, en dat kan je tien jaar gevangenisstraf opleveren.’ Collega’s van haar kregen hetzelfde bericht. Ook zij hadden op Zwarte Zaterdag op hun legerbasis opgesloten gezeten in een controlekamer, slechts gewapend met hun mobiele telefoons, terwijl Hamas-terroristen amok maakten.
‘We probeerden ze aan het verstand te brengen dat we niet meer terug konden,’ vertelt Mai. ‘We zijn onze kameraden kwijtgeraakt, hebben urenlang geschuild tussen dode lichamen in die controlekamer.’
Volgens Mai (een pseudoniem, net als de namen van alle anderen die in dit verhaal aan het woord komen) krijgen sommige jonge vrouwen die de aanval hebben overleefd psychiatrische zorg; anderen kunnen het nog niet eens aan om zich te laten behandelen. ‘Geen van de bevelhebbers heeft ons tot nu toe bezocht; niemand van het leger is ons komen vragen hoe we ons voelen. Ze negeren simpelweg ons bestaan.’ Misschien moet die laatste verklaring worden aangescherpt: ze negeren niet zozeer hun bestaan als militairen, maar als mensen.
(De taak van de spotters, tatzpitanit in het Hebreeuws, is om naar ongewenste activiteiten te speuren door urenlang beelden van bewakingscamera’s op een scherm te bekijken. Tegenwoordig doen alleen vrouwelijke soldaten dit werk.)
De spotters besloten na 7 oktober thuis te blijven. Daar kwam pas half november een reactie op, toen ze allemaal dezelfde brief kregen, waarin hen werd gesommeerd de volgende woensdag weer terug op hun post te zijn, op straffe van ernstige consequenties.
‘Ze zeiden tegen me: “Je moet terugkomen, je positie is weer op orde,” aldus een andere spotter, Shir. ‘Het kan niemand iets schelen hoe ik eraan toe ben en of ik nog in staat ben om dit te doen – het belangrijkste voor hen is dat ik mijn dienst weer draai en weer negen uur per dag naar schermen zit te kijken.’
Shir heeft besloten zich weer op de basis te melden, maar niet vanwege de dreigementen en intimidatie die ze heeft ondervonden.
‘Laat vooral duidelijk zijn dat we alleen terugkeren vanwege onze kameraden die zijn vermoord of ontvoerd,’ zegt ze, ‘en niet om al diegenen die ons daar in de steek hebben gelaten.’
Waarschuwingen
Shir en haar collega’s zijn niet eens verrast door die houding jegens hen, alleen verontrust door de intensiteit ervan. In al die jaren militaire dienst zijn ze er naar eigen zeggen aan gewend geraakt dat ze ‘niet meetellen’. Er was ook geen aandacht voor hun herhaalde waarschuwingen aan de vooravond van Zwarte Zaterdag dat Hamas iets in zijn schild voerde. Waarschuwingen die, zo is hun indruk, het ene IDF-oor in en het andere weer uit gingen.
Waaruit die waarschuwingen bestonden? Uit berichten over allerlei voorbereidselen van Hamas nabij het grenshek, de drone-activiteit van de afgelopen maanden, de pogingen om camera’s uit te schakelen, een intensief verkeer van bestelwagens en motorfietsen, en zelfs oefeningen voor het beschieten van tanks.
Volgens de spotters was Hamas zelfs behoorlijk slordig: de organisatie probeerde niets te verbergen en deed alles vol in het zicht. Maar deze hele periode, zo zeggen spotters, weigerden de hoge officieren van de Gaza-divisie en het Zuidelijk Commando van de IDF naar hun waarschuwingen te luisteren. En dat, zo menen ze, kwam deels voort uit arrogantie, maar ook uit seksisme.
De spotters, soldaten en commandanten zijn uitsluitend jonge vrouwen, legt een van hen uit. ‘Het zou er nu zeker anders uitzien als er mannen achter die schermen hadden gezeten.’
De uren die voorafgingen aan de ochtend van 7 oktober verliepen vrijwel als normaal. Noga, een spotter van de IDF-inlichtingeneenheid bij de kibboets Kissufim, dicht bij de grens met Gaza, zag een onbekende, verdacht uitziende man voor een van de poorten van het hek staan dat Gaza omheint.
Haar verslag bereikte luitenant-kolonel Meir Ohayon, commandant van het 51e bataljon van de Golani Brigade, die zich om drie uur ’s ochtends naar de locatie begaf en traangas op de man afvuurde. Die draaide zich om en ging naar een Hamas-observatiepost op ongeveer 300 meter van het hek, de afstand die Palestijnen moeten bewaren. De spotter zag daar ook andere mensen. Het leek alsof er een briefing werd gehouden.
Dat alles vond ze ongebruikelijk en verontrustend, en ze vertelde dit aan de andere spotters en de dienstdoende commandant. Na een gesprek van ongeveer een minuut in de controlekamer, werd in overleg met de divisie besloten te doen alsof er niets aan de hand was.
‘Het spijt me dat ik je op dit uur wakker moet maken,’ verontschuldigde de spotter zich bij Ohayon, ‘maar ik denk nog steeds dat er hier iets vreemds aan de hand is.’
Ohayon maakte zich geen zorgen. Hij zei wel dat het goed is altijd waakzaam te zijn, om verrassingen te voorkomen. Een paar uur later bleek deze ‘waakzaamheid’ niet bestand tegen de verrassing die Hamas in petto had.
Dit was slechts het laatste stukje van de puzzel. Achteraf, nadat de omvang van de ramp volledig tot haar was doorgedrongen en ze tientallen kameraden had verloren die Hamas had vermoord of ontvoerd, begreep ze hoe rampzalig de miscommunicatie tussen haar en haar collega’s enerzijds en hun superieuren anderzijds was geweest.
Terwijl ze erachter probeerde te komen wie de verdachte figuur was en wat hij in zijn schild voerde, hadden de veiligheidsdienst van de IDF en Shin Bet (de Israëlische binnenlandse veiligheidsdienst) al overlegd in verband met een waarschuwing voor terroristische infiltratie. Die vonden de hogere functionarissen ernstig genoeg om op vrijdagavond te besluiten de aanwezigheid van speciale troepen in het zuiden uit te breiden en een team uit te zenden dat getraind was in het bestrijden van terreurgroepen.
‘Niemand heeft ons verteld dat er zo’n hoog alarmniveau was’
Een ander team van de operationele eenheid van Shin Bet en een deel van de commando-eenheid werden ook gemobiliseerd. Een eliteonderdeel van Sayeret Matkal (een speciale commando-eenheid van het Israëlische leger, gericht op infiltraties) werd eveneens naar het gebied gestuurd. Niemand in het Zuidelijk Commando of de Gaza-divisie nam echter de moeite de tientallen jonge vrouwen die als spotters dienstdeden op de legerbases bij de kibboetsen Kissufim en Nahal Oz, hiervan op de hoogte te stellen. Ook niet om vier uur ‘s ochtends, toen werd besloten de Israëlische gemeenten en kibboetsen rond Gaza zelf te waarschuwen voor mogelijke infiltratie.
‘Als we ervan hadden geweten, zou deze hele ramp anders hebben uitgepakt,’ zegt Yaara tegen Haaretz. ‘Niemand heeft ons verteld dat er zo’n hoog alarmniveau was.’
Volgens Yaara zouden de jonge spotters aan drie of zelfs twee uur genoeg tijd hebben gehad om zich voor te bereiden. ‘Niemand heeft eraan gedacht het ons te vertellen. De IDF lieten ons als schietschijven achter. De leden van gevechtseenheden hadden tenminste nog wapens en stierven als helden. De door het leger in de steek gelaten spotters werden simpelweg afgeslacht, met niet de minste kans om zich te verdedigen.’
Rond 06.30 uur kon Noga nog net verslag uitbrengen over het ‘infiltratieprotocol’ voor gemeenten en militaire bases, terwijl het geweervuur en het geschreeuw van de terroristen buiten het commandocentrum waar ze was gestationeerd al te horen waren.
In de WhatsApp-groep van de spotters meldden collega’s uit Nahal Oz al dat er overal terroristen waren, dat er mensen waren vermoord en ontvoerd, en dat ze nergens heen konden. Om 07.17 uur kwam het laatste bericht in de groep, namens alle spotters van Nahal Oz: ‘Vertel iedereen dat we van ze houden en dankjewel voor alles.’
De harde woorden van de spotters voor hun superieuren zijn niets nieuws. Haaretz publiceerde vorig jaar een onderzoeksrapport over met name de neerbuigende houding jegens hen van hun bevelhebbers. Destijds sprak deze verslaggever met spotters van bases in heel Israël, waaronder die in de Gaza-divisie.
Een van de problemen die ze aan de orde stelden, was dat hun stem gewoon niet werd gehoord en dat hun professionele mening onvoldoende gewicht in de schaal legde. Elke onderzoekscommissie die de gebeurtenissen van 7 oktober bestudeert, zou moeten beginnen met de getuigenissen van de overlevende spotters.
Spotten
Twee tot drie maanden. Langer heeft een nieuwe spotter niet nodig om haar sector ‘beter te leren kennen dan wie dan ook in de IDF,’ zegt Talia, die zo’n achttien maanden als spotter in de Gaza-divisie diende en daarom als ‘veteraan’ te boek staat. ‘In mijn sector ken ik elke steen, elk voertuig, elke herder, elk Hamas-trainingskamp, alle arbeiders, vogelaars, paden en buitenposten.’ Volgens haar heeft een ervaren spotter ‘8200’ (een befaamde inlichtingeneenheid) niet nodig om meteen te kunnen zeggen of er iets ongebruikelijks in haar sector gebeurt.
Het is zwaar werk. Vaak sisyfusarbeid. De dienst van een spotter duurt negen uur. Dan zit ze voor een scherm en probeert ze alles in de gaten te houden dat ook maar enigszins ongewoon lijkt, zelfs al is het iets heel kleins. Een dergelijke gebeurtenis moet onmiddellijk worden geregistreerd in een operationeel verslag, dat naar de commandanten van de basis gaat, en van daaruit naar de inlichtingencentra van de relevante divisies en commandocentra.
Wat gebeurt er in de praktijk met de informatie die ze hebben doorgegeven? Die vraag vinden de spotters lastig te beantwoorden.
Dit was ook zo toen er Hamas-drones in hun sector begonnen rond te vliegen.
‘De afgelopen maanden begonnen ze elke dag, soms twee keer per dag, drones op te laten die heel dicht bij de grens kwamen,’ zegt Ilana, een andere spotter. ‘Tot driehonderd meter van het hek – soms nog minder. Anderhalve maand voor de oorlog zagen we dat ze in een van de trainingskampen een precieze replica hadden gebouwd van een gewapende observatiepost, zoals wij die hebben. Ze gingen daar trainen met drones, om de observatiepost te raken.’
Ilana vertelt dat ze deze informatie volgens het protocol doorgaven, maar nog verder gingen: ‘We schreeuwden tegen onze commandanten dat ze ons serieuzer moesten nemen, dat hier iets ergs aan de hand was. We beseften dat het gedrag dat we zagen heel vreemd was, dat ze echt aan het trainen waren voor een aanval op ons. Tot nu toe heeft niemand ons verteld wat er met deze informatie is gedaan.’
Toen ze op Zwarte Zaterdag de drones de ene na de andere (onbemande) elektronische observatiepost zagen opblazen, begrepen de spotters onmiddellijk waar dit heen ging. ‘Dit was precies wat we in de laatste anderhalve maand van hun training hadden gezien,’ zegt Ilana.
Er waren ook andere tekenen, zeggen de spotters. Er werden meer verslagen geschreven en verzonden. Het is niet bekend waar die zijn beland.
‘Ze hebben me nooit verteld wat er gebeurd is met de informatie die we doorgaven,’ zegt spotter Adi. ‘Ons werd steeds voorgehouden dat een terroristische infiltratie tot de mogelijkheden behoorde.’ Het ligt voor de hand dat de IDF daarop voorbereid moesten zijn, maar blijkbaar werd er geen concrete dreiging onderkend – ongeacht hoeveel concrete aanwijzingen de spotters daarvoor hadden aangeleverd.
‘Het afgelopen jaar hebben ze stukken ijzer uit het hek verwijderd,’ citeert Adi uit weer een verslag dat misschien onder in een la terecht is gekomen. En er is meer.
‘In mijn sector bouwden ze een nauwkeurig model van een Merkava IV-tank en trainden ze er voortdurend mee,’ zegt een spotter van de Gaza-divisie. ‘Ze trainden hoe ze die moesten raken met een granaatwerper, wáár ze hem precies moesten raken, en daarna trainden ze voor onze ogen hoe ze de bemanning gevangen konden nemen.’
Ze zegt dat de spotters probeerden te waarschuwen dat deze oefeningen in intensiteit toenamen, ‘dat er meer mensen meededen, en dat ze werden uitgevoerd met extra Hamas-eenheden uit andere gebieden’.
‘Iedereen die nu zegt dat het onvermijdelijk was of onmogelijk om ervan op de hoogte te zijn – die liegt’
Ook viel het hun op dat er veelvuldig gebruik werd gemaakt van busjes en motorfietsen. En toen er protesten waren aan de grens (in de maanden voorafgaand aan de aanval), merkten ze dat ‘Hamas-agenten voortdurend de plekken onderzochten waar onze camera’s minder effectief waren. Ze hebben echt alles tot in de kleinste details gepland. Iedereen die nu zegt dat het onvermijdelijk was of onmogelijk om ervan op de hoogte te zijn – die liegt.’
In april zat Smadar op haar post in Kissufim en merkte iets nieuws op in een van de trainingskampen van Hamas. ‘Ze hadden een nauwkeurig model van het grensgebied gebouwd,’ zegt ze. ‘Daar trainden ze hoe ze door het hek moesten breken. In tegenstelling tot wat de IDF dachten, was hun training bedoeld voor infiltratie bovengronds, niet vanuit tunnels. Naarmate de tijd verstreek, werd hun training intensiever.’
Ongeveer anderhalve maand voor de aanval schakelde die training zo te zien een versnelling hoger.
‘We zagen ze op driehonderd meter afstand van het hek komen, en hun trainers stonden er met stopwatches om te meten hoeveel tijd het kostte om naar het hek te rennen en terug te keren naar hun posities. We wisten dat er iets te gebeuren stond,’ zegt Liat. ‘De troepen die we stuurden deden haast niets, ook al waren er ongeregeldheden bij het hek – zelfs de waarschuwingsschoten hielden op. Er kwamen soldaten, die traangas inzetten en weer vertrokken. Dat was alles.’
Iemand die de sector minder lang kent – maar wel degelijk diepgaand – is Einat, een spotter van Nahal Oz. Die zaterdag was ze thuis, maar ze wist meteen wat er zou gebeuren.
Toen begonnen de berichten van kameraden op de basis binnen te druppelen, plus de foto’s en video’s van Palestijnen op Telegram. ‘We zagen hoe ze onze kameraden vermoordden en hoe die naar Gaza werden gebracht,’ vertelt ze. ‘Ik kan de frustratie, het gevoel in de steek te zijn gelaten door hogere officieren niet beschrijven. We hadden gewaarschuwd, we hadden het ze verteld, maar we staan nu eenmaal onderaan de voedselketen van de divisie.’
In reactie op dit artikel verklaarde een IDF-woordvoerder: ‘De IDF en hun bevelhebbers volgen alle mannelijke en vrouwelijke soldaten die de gebeurtenissen van 7 oktober hebben meegemaakt nauwlettend. Zij worden begeleid door professionals uit de geestelijke gezondheidszorg. Daarnaast is er voortdurend contact met hun oversten, die een ondersteunend systeem vormen en een luisterend oor bieden. De terugkeer naar hun posten zal geleidelijk en zorgvuldig verlopen, onder toezicht en afhankelijk van de persoonlijke toestand van elke soldaat. Het is niet de bedoeling om tegen wie dan ook disciplinaire maatregelen te nemen. Mochten er gesprekken zijn geweest die anders doen vermoeden, dan zijn die in strijd met de richtlijnen en zullen ze dienovereenkomstig worden afgehandeld.’