Geld

Estimated read time 21 min read

De inmiddels in de vergetelheid geraakte Duitse econoom Silvio Gesell stelde dat zowel de samenleving als de economie beter af zouden zijn als geld een vergankelijk goed was, beperkt houdbaar zoals groente. Om economische en sociale misstanden te corrigeren zou de aard van geld moeten veranderen, zei hij. John Maynard Keynes noemde hem een ‘merkwaardige en ten onrechte genegeerde profeet’.

Een paar weken terug bedacht mijn negenjarige zoontje Theo een fiduciaire munt om de handel vanuit zijn fort in de woonkamer te vergemakkelijken. Als ware kapitalist in de dop had hij een souvenirshop geopend in zijn fort, waar hij een voorraadje boekenleggers te koop aanbood die hij in razend tempo had geproduceerd met vouwpapier en een grote hoeveelheid plakband. Er stonden teksten op als ‘Love’, ‘Ik ben de baas’ en ‘Geld, poen, pegels, cash’.

Theo’s zesjarige broertje Julian had wel belangstelling voor de boekenleggers, die Theo voor 1 dollar per stuk aan hem wilde verkopen. ‘Ho even,’ riep ik vanuit de andere kamer. ‘Je mag ze niet verkopen voor echt geld.’ (Staatsinmenging, ik weet het.) Theo legde zich hier schoorvoetend bij neer. Na wat gepeins stelde hij een nieuw systeem voor, waarbij zijn broertje eigen geld kon drukken, met een stift en papier.

De geschiedenis van geld staat bol van dit soort fantasierijke mandaten en grillige logica

Zodra Julian drie keer ‘Ik kan schrijven’ op een stukje papier had gezet, zou het veranderen in een wettig betaalmiddel. Eén schrijffoutje en het biljet zou ongeldig zijn. ‘Het moet wel een bepaalde waarde hebben,’ lichtte Theo toe. ‘Anders kun je gewoon miljoenen dollars drukken.’ Julian sputterde even wat, maar wisselde al snel zijn nieuwe vermogen in voor een boekenlegger. Theo stopte het geld in zijn portemonnee.

De geschiedenis van geld staat bol van dit soort fantasierijke mandaten en grillige logica, zoals Jacob Goldstein schrijft in zijn meeslepende boek: Money: The True Story of a Made-Up Thing (Geld: het ware verhaal van een verzinsel). Toen er nog geen geld was, vertrouwde men op ruilhandel – een onhandig systeem omdat het een ‘dubbele samenloop van behoeften’ vereist. Als ik graan heb en jij hebt vlees, dan moet jij op hetzelfde moment behoefte hebben aan mijn graan als ik aan jouw vlees. Bijzonder inefficiënt.

Ruilen

In veel culturen werden rituele manieren ontwikkeld om waardevolle voorwerpen te ruilen – als er een huwelijk werd gesloten, bijvoorbeeld, of wanneer er boete werd gedaan voor een moord, of wanneer er offers werden gebracht. Bij dergelijke overeenkomsten werd er van alles en nog wat geruild, variërend van kaurischelpen tot vee, van potvistanden tot varkens met lange slagtanden. Deze goederen vervulden twee wezenlijke functies van geld:

1.Ze dienden als rekeneenheid (ze boden een gestandaardiseerde methode om waarde te bepalen).

2.Ze dienden als waarde-depot (dingen die je op een bepaald moment kunt vergaren om later te gebruiken).

Door de inherente tekortkomingen van het ruilhandelsysteem konden deze goederen niet de derde functie van geld vervullen, te weten:

3.Dienen als ruilmiddel (een neutraal middel dat gemakkelijk kan worden ingewisseld voor goederen.)

Pas ergens rond 600 voor Christus kwam er geld dat alle drie deze functies vervulde, toen er in Lydia, een koninkrijk in het hedendaagse Turkije, iets in omloop werd gebracht dat geschiedkundigen de allereerste munten ooit noemen: klompjes versmolten goud en zilver met de opdruk van een leeuw. Het idee verspreidde zich naar Griekenland, waar men op openbare plekken, agora’s geheten, goederen begon te verhandelen voor munten.

Al snel zorgde geld voor alternatieven voor de traditionele arbeidssystemen. Mensen hoefden nu niet langer een jaar te werken op de akkers van een rijke landeigenaar in ruil voor eten, onderdak en kleding, er kon worden betaald voor een kortere periode van arbeid. Dat gaf mensen de vrijheid om te stoppen met een rotbaan, maar het bracht ook de onzekerheid met zich mee dat je werk moest zien te vinden op het moment dat je dat nodig had.

Bang

Aristoteles was dan ook niet overtuigd. Hij was bang dat de Grieken iets belangrijks zouden verliezen in hun jacht op munten. Van het ene op het andere moment werd de waarde van een mens niet langer alleen bepaald door diens werk en ideeën, maar ook door diens sluwheid. In 995 werd in Sichuan, in China, papiergeld geïntroduceerd toen een koopman uit Chengdu mensen schitterend versierde bonnetjes overhandigde in ruil voor hun ijzeren munten. Dankzij papiergeld waren mensen verlost van de fysieke last van hun rijkdom, wat het makkelijker maakte om over grotere afstanden handel te drijven.

Het was geld omdat de keizer zei dat het geld was

Gaandeweg kreeg geld een meer symbolische waarde. Het vroege papiergeld fungeerde als schuldbekentenis en kon altijd worden ingewisseld voor munten van verschillende waarden. Maar eind dertiende eeuw bedacht Koeblai Khan, de Mongoolse keizer, papiergeld dat door niets werd gedekt. Het was geld omdat de keizer zei dat het geld was. De mensen gingen hierin mee. In de tussenliggende eeuwen heeft geld ons gedwongen mee te gaan in nog veel fantasievollere concepten, zoals het idee van de aandelenmarkt, gecentraliseerd bankieren en onlangs nog de cryptovaluta.

Momenteel is er zo’n 2,34 biljoen aan fysiek Amerikaans geld in omloop, waarvan ongeveer de helft in het buitenland. Dat is slechts 10 procent van het bruto binnenlands product (de totale monetaire waarde van alle geproduceerde goederen en diensten). Het totaal van alle Amerikaanse bankdeposito’s bedraagt ongeveer 17 biljoen dollar. Ondertussen bedraagt de totale rijkdom van dit land, inclusief alle niet-monetaire activa, zo’n 149 biljoen, meer dan 63 keer het totaal aan beschikbare contanten.

De kloof tussen deze getallen doet denken aan de zwarte gaten in het heelal – we hebben er geen empirische verklaring voor, maar zonder deze fenomenen zou ons hele begrip van het heelal, of de economie, op losse schroeven komen te staan. Voor de meeste mensen in de westerse wereld is geld niets anders dan een reeks getallen in de computer van de bank.

Iets absurds

Geld is iets abstracts, iets absurds. Het is een geloofssysteem, een taal, een sociaal contract. Geld is vertrouwen. Maar de regels zijn niet in steen gebeiteld. ‘Met geld gaat het eigenlijk altijd hetzelfde’, schrijft Goldstein. ‘De vorm die geld op een bepaald moment heeft aangenomen wordt gezien als de natuurlijke gedaante van geld, en al het andere lijkt onverantwoorde waanzin.’ Meer dan een eeuw geleden stelde ondernemer en autodidactisch econoom Silvio Gesell, een vegetarische voorstander van de vrije liefde, een man met een wilde blik in zijn ogen, een radicale hervorming voor van het monetaire systeem zoals wij dat kennen.

Hij wilde geld maken dat in de loop der tijd zou vergaan. Ons huidige geld, zo stelde hij, is een ontoereikend ruilmiddel. De rijkdom van een man met zijn zakken vol geld is niet gelijkwaardig aan de rijkdom van een man met een zak vol goederen, zelfs niet als de markt heeft bepaald dat de goederen het geld waard zijn.

‘Het uitbuiten van de behoeften van onze naasten is de basis van ons economisch bestel’

‘Alleen geld dat gedateerd is, zoals een krant, geld dat wegrot als aardappels, verroest als ijzer, vervluchtigt als ether, kan de toets doorstaan om te dienen als ruilmiddel voor aardappelen, kranten, ijzer en ether’, schreef Gesell in zijn belangrijkste werk, Die natürliche Wirtschaftsordnung durch Freiland und Freigeld (Het natuurlijke economisch bestel door vrij land en vrij geld) uit 1915. Gesell werd geboren in 1862, in wat nu België is, als zevende van negen kinderen.

Hij ging voortijdig van school omdat zijn ouders die niet langer konden betalen, kreeg een baantje bij de post en vertrok op zijn twintigste naar Spanje om daar bij een bedrijf te gaan werken. Vier jaar later emigreerde hij naar Argentinië, waar hij een bedrijf begon dat medische apparatuur importeerde en waar hij een fabriek opzette waar kartonnen dozen werden gemaakt.

© Getty Images

Kaalplukken

‘De koopman, de arbeider en de beurshandelaar hebben allemaal hetzelfde doel, namelijk het uitbuiten van de toestand van de markt, ofwel de mensen in het algemeen’, schreef Gesell. ‘Het enige verschil tussen woekerhandel en gewone handel is misschien dat de beroepswoekeraar specifieke personen uitbuit.’

Gesell meende dat de meest gewaardeerde impuls in onze hedendaagse economie de neiging is om bij elke transactie zo min mogelijk te geven en zo veel mogelijk te krijgen. Op die manier worden we in materieel, moreel en sociaal opzicht armer. ‘Het uitbuiten van de behoeften van onze naasten, het over en weer kaalplukken met de sluwheid van de verkoper, is de basis van ons economisch bestel’, concludeerde hij somber.

Als we willen dat geld een beter ruilmiddel wordt, moeten we zorgen dat het slechtere handelswaar wordt

Om deze economische en sociale misstanden te corrigeren, zouden we de aard van geld moeten veranderen, zo opperde Gesell, zodat het een betere afspiegeling vormt van de goederen waartegen het wordt geruild. ‘Als we willen dat geld een beter ruilmiddel wordt, moeten we zorgen dat het slechtere handelswaar wordt’, schreef hij. Met dat doel voor ogen ontwikkelde hij geld met een beperkte houdbaarheidsdatum, het zogeheten Freigeld, ofwel vrij geld. (Vrij omdat het bevrijd zou zijn van spaarders en rente.)

De theorie werkt als volgt: Een Freigeld-biljet van 100 euro heeft 52 vakjes op de achterkant, met een datum, waar de eigenaar elke week een zegeltje van 10 cent moet plakken om te zorgen dat het biljet honderd euro waard blijft. Als je het biljet een jaar bewaart, moet je tweeënvijftig zegels op de achterkant plakken – ter waarde van 5,20 euro – om te zorgen dat het zijn waarde behoudt. Op die manier gaat het biljet jaarlijks 5,2 procent in waarde achteruit, en dat bedrag komt ten laste van de eigenaar(s). (De waarde van de zegels, en hoe vaak ze moeten worden geplakt, kan indien nodig worden bijgesteld.) Dit systeem werkt tegengesteld aan ons huidige systeem, waarin geld dat wordt bewaard juist in waarde stijgt doordat er rente bovenop komt.

In Gesells systeem zou het individu betalen voor de zegels, terwijl de opbrengsten ten goede komen aan de gemeenschap, waardoor de overheid minder belasting zou hoeven innen om de mensen te ondersteunen die niet in staat zijn om te werken. Het geld zou op een bank kunnen worden gezet, waarmee het zijn waarde zou behouden omdat de bank verantwoordelijk zou worden voor de zegels. Om niet de kosten voor de zegels te hoeven dragen, zou de bank gestimuleerd worden het geld uit te lenen, waarbij de kosten bij een ander worden neergelegd. In Gesells visie zouden banken zo vrijelijk uitlenen dat hun rentetarieven uiteindelijk bij nul zouden uitkomen en ze alleen een kleine risicopremie zouden vragen, plus administratiekosten.

Het gebruik van deze zegelvaluta zou de volledige productieve kracht van de economie ontketenen

Het gebruik van deze zegelvaluta zou de volledige productieve kracht van de economie ontketenen. Kapitaal zou voor iedereen toegankelijk zijn. Een valutakantoor zou de prijsstabiliteit garanderen door bij te houden hoeveel geld er in omloop is. Als de prijzen zouden stijgen, zou het valutakantoor geld vernietigen. Als de prijzen zouden dalen, zou het valutakantoor geld bijdrukken. In deze economie zou het geld circuleren met de snelheid van een balspel. Er zouden geen woekeraars meer zijn die ‘slapend’ rijk worden. In plaats daarvan zou iemands succes direct gekoppeld zijn aan de ideeën die hij of zij heeft, en aan de kwaliteit van zijn of haar werk. Gesell zag voor zich hoe dit zou leiden tot een darwiniaanse vorm van natuurlijke selectie binnen de economie: ‘Vrije concurrentie zou in het voordeel zijn van mensen die efficiënt zijn, en zij zouden zich dan ook in groteren getale voortplanten.’

Nieuwe orde

Deze nieuwe ‘natuurlijke economische orde’ zou gepaard gaan met een hervorming van het grondbezit – Freiland, ofwel vrij land – waardoor land niet langer privébezit zou zijn. Landeigenaren zouden worden gecompenseerd door de overheid, in de vorm van obligaties met en looptijd van twintig jaar. Daarna zouden ze rente betalen aan de overheid en dat geld zou, zo stelde Gesell zich voor, worden gebruikt voor overheidsuitgaven en jaarlijkse uitkeringen aan moeders, om de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te bevorderen, wat hun de vrijheid zou geven een relatie te beëindigen als ze dat wilden.

Om te zorgen dat iedereen een groter en eerlijker stuk van de koek zou kunnen krijgen, waren systeemveranderingen nodig

Gesells ideeën zouden de geest van het private, competitieve ondernemerschap behoeden voor wat hij beschouwde als de systeemfouten van het kapitalisme. Je zou Gesell een antimarxistische socialist kunnen noemen. Hij maakte zich sterk voor sociale rechtvaardigheid, maar hij was het ook eens met Adam Smith dat eigenbelang de natuurlijke basis is van iedere economie. Terwijl Marx pleitte voor de politieke suprematie van de armen door middel van organisatie, stelde Gesell dat we enkel economische obstakels hoeven weg te nemen om onze ware productiecapaciteit te realiseren.

Om te zorgen dat iedereen een groter en eerlijker stuk van de koek zou kunnen krijgen, waren systeemveranderingen nodig, zo benadrukte hij, in plaats van een revolutie met herverdeling als doel. ‘We zullen onze erfgenamen geen eeuwig wassende bron van inkomsten nalaten’, schreef hij, ‘maar is het niet voldoende om economische omstandigheden na te laten waarin de volledige opbrengst van hun arbeid is gegarandeerd?’

© Getty Images

Steun

Hoewel velen Gesell afdeden als een anarchistische ketter, kregen zijn ideeën steun van belangrijke economen uit zijn tijd. In zijn boek The General Theory of Employment, Interest and Money (De algemene theorie van werkgelegenheid, rente en geld), wijdde John Maynard Keynes vijf pagina’s aan Gesell en noemde hem een ‘merkwaardige en ten onrechte genegeerde profeet’. Hij stelde dat het idee achter het zegeltjesbiljet solide was. ‘Naar mijn idee zal de toekomst meer baat hebben bij de geest van Gesell dan bij die van Marx’, schreef Keynes.

In 1900 ging Gesell met pensioen en trok zich terug op een boerderijtje in Zwitserland, waar hij pamfletten, boeken en een tijdschrift over monetaire hervorming schreef. In 1911 verhuisde hij naar Eden, een vegetarische commune net buiten Berlijn met een enkelvoudige belastingheffing, waar Gesell vraagtekens plaatste bij monogamie en pleitte voor de vrije liefde. Toen in 1919 in München de Beierse Sovjetrepubliek werd opgericht door pacifistische dichters en scenarioschrijvers, kreeg Gesell de positie aangeboden van minister van Financiën.

Gesell stelde plannen op voor landhervormingen, een basisinkomen en Freigeld. De republiek hield het maar een week vol voordat ze werd omvergeworpen door de Communistische Partij en vervolgens door het Duitse leger, dat Gesell gevangenzette op beschuldiging van verraad.

‘Ik val het kapitaal niet aan met geweld, noch met stakingen en het lamleggen van bedrijven en fabrieken, noch met sabotage’

Hij verdedigde zich vol vuur. ‘Ik val het kapitaal niet aan met geweld, noch met stakingen en het lamleggen van bedrijven en fabrieken, noch met sabotage,’ hield hij de rechtbank voor. ‘Nee, ik val het aan met het enige wapen dat eigen is aan het proletariaat: arbeid. Door de massa’s op te roepen tot ongeremde, niet-aflatende arbeid, leg ik de afgod van de rente aan banden.’ Gesell werd vrijgesproken en ging weer schrijven.

In 1930 overleed hij aan een longontsteking, in Eden, op zevenenzestigjarige leeftijd. In datzelfde jaar probeerde de eigenaar van een slapende kolenmijn niet ver van de Beierse plaats Schwanenkirchen vergeefs een lening bij de bank te krijgen om de oude mijn weer op te starten. Gedwarsboomd door vertegenwoordigers van de traditionele financiële wereld zocht hij zijn heil bij de Wära Exchange Association, een groep die in het leven was geroepen om Gesells ideeën handen en voeten te geven. De groep stemde ermee in de mijneigenaar 50.000 Wära te geven, een in waarde dalende munteenheid, wat overeenkwam met 50.000 Reichsmark.

Vervolgens riep de mijneigenaar de werkloze mijnwerkers bij elkaar en vroeg of ze weer aan het werk wilden gaan, niet tegen een wettig betaalmiddel, maar voor deze nieuwe munteenheid. Onbekend geld was beter dan geen geld, vonden de mijnwerkers. De mijneigenaar kocht eten, kleren en huishoudelijke artikelen bij winkels die ook de Wära-valuta gebruikten. De mijnwerkers, die weer kolen delfden, gebruikten hun inkomen om die goederen te kopen van de mijneigenaar. Al snel wilden ook andere winkels de munteenheid hanteren om mee te liften op de plotselinge toestroom van geld. Omdat de munt elke maand 1 procent in waarde daalde, wilde iedereen zijn Wära’s snel uitgeven en dus circuleerden ze al snel in de hele economie.

Binnen afzienbare tijd werd de Reichsmark verdrongen door de Wära, tot verontrusting van de grotere banken en de overheid. Uiteindelijk maakte de Reichsbank een einde aan het experiment door de munteenheid te verbieden.

Mensen betaalden zo snel mogelijk hun belastingen om zegels uit te sparen

Twee jaar later werden Gesells ideeën opnieuw in de praktijk gebracht in de Oostenrijkse stad Wörgl. In 1932 wilde de burgemeester, een socialistische spoorwegingenieur, niets liever dan zijn inwoners weer aan het werk krijgen. Hij was een aanhanger van Gesells ideeën en bedacht een plan om de Oostenrijkse schilling te vervangen door Arbeidscertificaten, waarvan de waarde maandelijks met 1 procent zou afnemen. De burgemeester huurde stadsbewoners in om de wegen te verbeteren, straatverlichting aan te brengen en een betonnen brug te bouwen, en hij betaalde uit in Arbeidscertificaten. Die certificaten circuleerden al snel onder kooplieden, huurders en landeigenaren, en vonden hun weg naar spaarrekeningen.

Mensen betaalden zo snel mogelijk hun belastingen om zegels uit te sparen. In een jaar gingen de Arbeidscertificaten 463 keer van hand tot hand, waardoor ten minste 15 miljoen schilling aan goederen en diensten werd gecreëerd. Ter vergelijking: de gewone schilling ging maar 21 keer van hand tot hand.

Het experiment kwam bekend te staan als het Wonder van Wörgl. De Weense kranten namen er kennis van. De Franse regering toonde interesse. Tweehonderd burgemeesters uit Oostenrijk ontwikkelden soortgelijke programma’s voor hun eigen gemeenschap. Ook nu weer leidde het tot onrust bij de financiële autoriteiten, die betoogden dat deze lokale zegelbiljetten een ondermijning betekenden van de macht van de nationale bank om valuta in omloop te brengen. In de herfst van 1933 verbood het Oostenrijkse Hooggerechtshof de circulatie van de certificaten. Ook in Amerika en Canada vonden geselliaanse experimenten plaats, in de hand gewerkt door de depressie van de jaren 1930.

In Hawarden, in Iowa, werd een beperkte hoeveelheid zegelbiljetten in omloop gebracht om te betalen voor werk voor de gemeenschap. Datzelfde jaar werd er een vergelijkbaar programma uitgevoerd in Anaheim, in Californië. In 1933 wilde Oregon voor 80 miljoen aan zegelbiljetten drukken, maar daar stak het Amerikaanse ministerie van Financiën een stokje voor. De regering van premier William ‘Bible Bill’ Aberhart in Alberta, Canada, bracht in 1936 depreciërende ‘welvaartscertificaten’ uit (die al snel werden omgedoopt in velocity dollars, ofwel geld met een hoge omloopsnelheid).

Experimenten

In dat decennium waren er in de Verenigde Staten zevenendertig steden, acht county’s en enkele bedrijfschappen die bijna honderd verschillende soorten zegelbiljetten probeerden te introduceren. Deze experimenten waren allemaal lokaal, bescheiden van opzet en van korte duur. In 1933 probeerde de econoom Irving Fisher, die zichzelf ‘een nederige leerling van Silvio Gesell’ noemde, president Franklin Delano Roosevelt over te halen om een nationaal zegelbiljet in te voeren. Hij wist een senator uit Alabama zover te krijgen dat hij een wetsvoorstel indiende waarmee tot een miljard aan depreciërende valuta zou worden uitgegeven.

Het wetsvoorstel is nooit in stemming gebracht. Roosevelt, die voorbereidingen trof om van de gouden standaard af te stappen, was bang dat nog meer economische innovaties een destabiliserend effect zouden hebben. Gesells idee van geld dat minder waard wordt ‘druist in tegen alles wat we ooit hebben geleerd over de wenselijke eigenschappen van geld’, zegt David Andolfatto. Andolfatto is voormalig senior vicevoorzitter van de Federal Reserve Bank van St. Louis en hij staat aan het hoofd van de economiefaculteit van de Universiteit van Miami. ‘Waarom zou je in ’s hemelsnaam willen dat geld die eigenschap heeft?’

Maar tijdens de economische baisse die volgde op de coronaepidemie, zag Andolfatto dat geld dat minder waard wordt in tijden van crisis een bepaalde waarde zou kunnen hebben. De cheques die de Amerikaanse overheid verstrekte aan Amerikaanse huishoudens hadden niet meteen het gewenste effect – het stimuleren van de economie – omdat veel mensen het geld opspaarden in plaats van het uit te geven. Dat is de paradox van spaarzaamheid, legde Andolfatto uit. Wat goed is voor het individu is slecht voor de groep.

Geld achterhouden in angstige tijden zorgt voor een selffulfilling prophecy die de economie nog meer verstikt

In een artikel dat Andolfatto in 2020 schreef voor de Fed, heeft hij het over hot money credits (ontvlambare tegoeden). Als de economie stagneert, schrijft hij, krijg je te maken met een ‘coördinatiefout’: bepaalde mensen stoppen met uitgeven en anderen stoppen met verdienen. Geld achterhouden in angstige tijden zorgt voor een selffulfilling prophecy die de economie nog meer verstikt. Zou Gesells idee van geld dat zijn waarde verliest, de oplossing kunnen zijn?

Het probleem, zo zegt Andolfatto, is dat het verstrekken van pandemiecheques die beperkt houdbaar zijn, nadelig kan uitpakken voor mensen met een klein spaarpotje. Mensen met geld op de bank zouden die cheques net zo gebruiken als gewoon geld. Maar mensen zonder spaargeld zouden zich door de vervaldatum wellicht gedwongen zien het geld uit te geven, zonder dat het iets bijdraagt aan de stabiliteit van hun financiële situatie.

Halve theorie

Keynes was van mening dat Gesells depreciërende geld niet meer dan ‘een halve theorie’ was – er werd voorbijgegaan aan het feit dat mensen een voorkeur hebben voor liquide activa, waarvan geld slechts een voorbeeld is. ‘Geld als ruilmiddel moet ook een opslag van waarde zijn,’ aldus Willem Buiter, voormalig hoofdeconoom bij Citigroup. In een geselliaanse economie, vervolgt hij, zouden de welgestelden hun rijkdom domweg opslaan in een andere vorm – goudstaven, wellicht, of boten – om die vervolgens weer om te zetten in geld als ze zaken willen doen.

Buiter gelooft niet dat geselliaans geld echt iets kan uitrichten tegen sociale ongelijkheid, maar hij heeft wel gezien dat er momenten zijn waarop het gunstig heeft uitgepakt voor een centrale bank om de rente te laten dalen tot onder nul, zoals wanneer de inflatie en de marktrente laag zijn en nog verder zouden moeten dalen om volledige werkgelegenheid en gebruik van bronnen overeind te houden.

In een cashloze economie zouden positieve en negatieve rente makkelijk kunnen worden toegepast op digitaal geld, zoals Buiter en anderen hebben bepleit. Maar het is moeilijk voor te stellen hoe een overheid vandaag de dag een geselliaanse belasting op harde valuta zou kunnen doorvoeren in de praktijk. ‘Je zou in staat moeten zijn de straat op te gaan en geld in beslag te nemen waarop men heeft verzuimd zegeltjes te plakken,’ aldus Buiter. ‘Dat zou een nogal brute aanpak zijn.’

© Getty Images

Zekerheden

Vandaag de dag is geld voor de meesten van ons een vorm van geruststelling. We leven in een cultuur waarin het streven naar zekerheden vooropstaat. Je moet sparen, krijgen we te horen – voor als je ziek mocht worden, om te zorgen dat je kinderen kunnen studeren, voor je pensioen. Maar zijn er wel garanties, in de vorm van geld of anderszins, dat ons niets zal overkomen in het leven?

In haar nieuwe boek The Age of Insecurity, (Het tijdperk van onzekerheid) schrijft activist Astra Taylor: ‘Tegenwoordig hebben veel van de manieren waarop we onszelf en onze samenlevingen proberen veilig te stellen – geld, bezit, politie, het leger – een paradoxaal effect, waardoor uitgerekend de veiligheid die we nastreven wordt ondermijnd. Het fungeert als katalysator voor schade aan de economie, het klimaat en het leven van mensen, waaronder dat van onszelf.’

‘We moeten ons een weg banen door het moeras van het kapitalisme naar de vaste grond eronder’

De negatieve gevolgen van de ongeremde accumulatie van rijkdom zijn voor iedereen duidelijk. Schendingen van mensenrechten, corruptie en de verwoesting van de aarde worden allemaal gerechtvaardigd vanuit dit streven. Er zijn vele reïncarnaties van geld denkbaar die andere waarden dienen. Laten betalen voor CO2-emissies is een manier om de milieuschade te compenseren die wordt teweeggebracht door economische groei.

Een universeel basisinkomen en gratis voortgezet onderwijs zouden kunnen helpen om financieel en sociaal kapitaal op een gelijkwaardige basis te herverdelen. Gesell was van mening dat het kapitalisme het communisme had verslagen, maar hij zag wel de tekortkomingen van ons huidige economische stelsel. ‘Het is de keuze tussen vooruitgang of ondergang’, schreef hij. ‘We moeten ons een weg banen door het moeras van het kapitalisme naar de vaste grond eronder.’ Is zijn idee van een expirerende munteenheid absurder dan de status quo die we hebben meegekregen?

Misschien bestaat zijn belangrijkste bijdrage eruit dat hij ons in herinnering brengt dat de regels van geld opnieuw kunnen worden uitgevonden, zoals altijd het geval is geweest. Geld is een bedenksel van onze collectieve verbeelding, voortspruitend uit onze zelfgenoegzaamheid, dat zeker, maar ook uit onze nieuwsgierigheid, onze waarden en onze hoogste ambities. Gesell pleitte ervoor om met een geëngageerde, onderzoekende en nieuwsgierige blik te kijken naar onze economische instituties, zodat we ze opnieuw kunnen vormgeven op een manier waar de samenlevingen die we willen vormen, bij gebaat zijn.

‘Het economisch bestel waarbij de mens floreert’, schreef hij, ‘is de meest natuurlijke economische orde.’ In die zin is ons bestel misschien nog altijd een werk in uitvoering.

You May Also Like

More From Author