Het Intercontinental in Kaboel was het eerste luxehotel van Afghanistan. Ooit werden er legendarische feesten gehouden, nu is het in handen van de taliban en worden niet-taliban gedwongen met hen samen te werken. Journalist Andreas Babst bracht een bezoek aan de omstreden plek.
Bij de eerste slagboom staat een talib te glimlachen, zoals hem is opgedragen. Bij de tweede slagboom staat op een bord: ‘Overdrachtspunt voor wapens’. Wie hier zijn kalasjnikov afgeeft, ontvangt een bonnetje en krijgt zijn wapen bij het verlaten van het hotel terug. De weg slingert de heuvel op tussen cirkelvormig gesnoeide heggen. Bij de derde barrière wordt er gefouilleerd. Dan verschijnt eindelijk achter een metalen hek de oprit naar het hotel. Voor de ingang piepen de autobanden op de grote marmeren tegels.
Het Intercontinental Hotel torent als een kasteel boven Kaboel, de door oorlog geteisterde hoofdstad van Afghanistan. Hier is het geluid van toeterende auto’s niet meer te horen.
In 1969 werd het Intercontinental Hotel geopend, het eerste luxe hotel in Afghanistan. Maar het voelt als veel langer geleden. Afghanistan is meer dan veertig jaar in oorlog geweest. Heersers kwamen en gingen en allen verbleven hier, in het Intercontinental. Ondanks zijn vergane glorie is het hotel nog steeds een symbool: wie in Kaboel regeert, regeert niet alleen over Afghanistan maar ook over het Intercontinental. Nu is dat dus de taliban.
Op 15 augustus 2021 drongen ze Kaboel binnen. Ze hebben al twee jaar de macht, maar zijn nog steeds niet te peilen. We horen alleen de gruwelverhalen: vrouwen en meisjes mogen al twee jaar niet meer naar middelbare scholen en universiteiten. Vrouwen mogen niet meer in openbare parken komen. Zowel vrouwen als mannen krijgen zweepslagen voor overspel.
Het grootste experiment van de taliban bleef tot nu toe voor de rest van de wereld onopgemerkt. Het vindt plaats achter bureaus in het hele land. De nieuwe regering dwingt taliban en niet-taliban om samen te werken, zowel binnen de regering als bij overheidskwesties. Jonge mannen delen een kantoor met de jonge strijders die ze ooit vreesden, jonge strijders zitten naast jonge mannen die ze ooit verachtten. Er hangt veel af van dit experiment. Het bepaalt grotendeels of er vrede zal blijven, of er echte verzoening komt of op zijn minst een zo normaal mogelijke manier van samenleven.
En dat grote experiment kan op kleine schaal worden geobserveerd in het Intercontinental. Misschien is dit zelfs wel de beste plek om een blik op de toekomst van Afghanistan te werpen; hier komen heden en verleden samen.
De receptie
Als ze opengaan, knarsen de automatische schuifdeuren van ouderdom. De gasten van het Intercontinental worden verwelkomd aan een enorme marmeren balie met daarachter een houten wand met vier klokken – Kaboel, New York, Londen, Dubai. Kosmopolitisme in een gesloten land. Het Intercontinental accepteert geen creditcards, omdat Afghanistan grotendeels is afgesneden van het internationale bankwezen. Een gast arriveert met een plastic tas vol contant geld.
Slechts elke tweede kroonluchter in de lobby is verlicht. ‘We besparen op elektriciteit,’ zegt Samiullah Faqiri, die verantwoordelijk is voor marketing bij het Intercontinental. Faqiri was meteen enthousiast over het idee om een buitenlandse journalist een paar dagen achter de schermen te laten meekijken.
Hij is achtentwintig jaar oud en zijn baard op zijn ronde wangen is netjes getrimd. Hij werkt al twee jaar in het hotel, sinds de taliban aan de macht kwamen. ‘Ik heb als een gek aan de marketing gewerkt,’ zegt hij in vloeiend Engels en hij vertelt dat hij de nieuwe slogan heeft bedacht: ‘Intercontinental for everyone’. Die tekst heeft hij op billboards in Kaboel laten zetten. Faqiri weet natuurlijk dat maar weinig Afghanen zich op dit moment een maaltijd of een nacht in een luxe hotel kunnen veroorloven. Volgens de VN kunnen negen van de tien gezinnen zich niet eens genoeg eten veroorloven. Een nacht in de goedkoopste kamer kost 95 euro, wat voor velen een maandloon is.
Faqiri heeft – net als iedere marketingmanager – een winstdoel voor ogen. Het hotel is van de overheid, en die wil dat het wat opbrengt. Alle winst gaat naar de staat, die het geld weer besteedt aan lonen, onderhoud en renovatie. Hoewel Faqiri voor de taliban werkt, is hij er zelf geen.
Hij spreekt dan ook over ‘ze’ als hij het over de heersende partij heeft. ‘Ze zullen me niet doden als ik mijn target niet haal,’ zegt hij lachend. Als Faqiri lacht, zie je eerst zijn neus op en neer gaan, dan zijn schouders en dan zijn buik. Het is een fysieke en aanstekelijke lach, die meestal volgt op een zin die anders te zwaar zou klinken.
Faqiri komt uit een familie waar het aan niets ontbreekt. Zijn vader is professor aan de universiteit. De hele familie woont samen in een huis vlak bij het hotel. Hij studeerde bedrijfskunde in India. Voordat de taliban de macht overnamen, droeg hij graag mouwloze T-shirts en speelde hij basketbal. Tegenwoordig draagt hij, net als bijna iedereen, een shalwar kameez, een traditioneel Afghaans kledingstuk.
Om zijn doel te behalen zou Faqiri meer kamers in het hotel moeten verhuren. Het Intercontinental heeft er in totaal 198. Ongeveer een vijfde daarvan is bezet, zegt hij. Zolang geen enkel land ter wereld de taliban erkent, zullen er ook geen massa’s toeristen komen. Maar hij geeft niet op. Tijdens de evacuatie van bedreigde Afghanen door de Canadese regering sloot hij een contract met het verantwoordelijke reisbureau: het Intercontinental werd het trefpunt voor de evacués. Hij verhuurde honderdtwintig kamers en kreeg het voor elkaar dat degenen die de taliban wilden ontvluchten, incheckten in een talibanhotel.
Faqiri werkt tot het begin van de middag. Bij de receptie staat een jonge talib, leunend tegen het zwarte marmer. Hij heet Mohammed Elyas Niazai. ‘De nachtploeg,’ zo stelt Faqiri hem voor.
Faqiri en Niazai maken deel uit van het grote talibanexperiment in het Intercontinental: een gewone Afghaanse man en een talib, twee jonge mannen die geacht worden samen te werken voor het grotere geheel.
Steeds weer wordt Niazai gebeld op zijn mobiele telefoon. Ze vragen hem waarom er een journalist in het hotel rondloopt
Niazai neemt de gouden lift naar boven. Op de wanden van de kleine cabine is zijn verwrongen weerspiegeling zichtbaar. Hij is drieëntwintig en heeft een weerbarstige, nogal onregelmatige baard. Zijn ogen staan helder maar zijn blik is wat onvast, waardoor hij er tegelijkertijd uitziet als jager en opgejaagde.
Niazai woont op de derde verdieping in kamer 311, die een standaard inrichting heeft: zware mosgroene gordijnen, een dik tapijt met een ingewikkeld patroon om mogelijke vlekken te verdoezelen, een asbak. In tegenstelling tot Faqiri woont Niazai in het hotel. Hij vertelt dat hij de personeelsmanager is. Ook hij heeft bedrijfskunde gestudeerd. ‘Het hotelwezen is een goede business, nauwelijks risico,’ zegt hij. Er is geen enkel persoonlijk voorwerp in de kamer te ontdekken, maar deze kamer is ook niet echt van hem. Hij vertelt dat hij een tweede, geheime kamer heeft. Daar bewaart hij zijn wapens: een M4 aanvalsgeweer, buitgemaakt op Franse soldaten, en een glock 22.
Slechts de helft van de
lobby wordt verlicht.
– © Elise Blanchard
Het is alsof achter het hotelbehang met golfpatroon iets onzichtbaars op de loer ligt. Steeds weer wordt Niazai gebeld op zijn mobiele telefoon. Het is de GDI, de geheime politie van de taliban. Ze vragen hem waarom er een journalist in het hotel rondloopt. Niets blijft onopgemerkt. Ze houden zich ergens schuil en kijken. In de gangen hangen camera’s, maar in de kamers zouden die er niet zijn. Op de derde verdieping verblijft een groep Russen. Ze houden zich afzijdig.
Niazai sloot zich bij de taliban aan toen hij zestien was. Een speciale legereenheid had zijn oom en neef vermoord, en naar verluidt waren er ook buitenlandse soldaten bij de operatie betrokken. Zo begon zijn jihad, zijn heilige oorlog: uit wraak. Hij groeide op in Kaboel, in een arme buurt. De taliban gebruikten hem als mol. Hij studeerde aan een universiteit in Kaboel en zegt dat hij toen heel goed Engels sprak, maar dat hij inmiddels veel is vergeten. Op zijn smartphone laat hij ons foto’s uit die tijd zien: een jongeman met een modieus geföhnde pony en een sikje.
Niazai bespioneerde zijn medestudenten namens de taliban. Toen zijn studie het toeliet, vocht hij buiten Kaboel tegen NAVO-troepen en tegen het Afghaanse leger. Hij beweert dat hij met een plastic fles en twee dollar een bom kan maken. Als hij te laat kwam en zijn professor vroeg hem naar de reden, antwoordde hij in het Engels: ‘Legends are always late.’ Hij is trots op deze zin en kent hem nog steeds uit zijn hoofd.
Dat was in de jaren voor de val van Kaboel. De hoofdstad had het hart moeten worden van het nieuwe Afghanistan dat de Amerikanen en hun bondgenoten met miljarden dollars aan ontwikkelingshulp in twintig jaar hadden opgebouwd. Maar in deze stad was het nooit helemaal duidelijk aan wie je eigenlijk loyaal was – al geloofden sommigen liever iets anders.
Op 15 augustus 2021 viel Kaboel in handen van de taliban. In de weken daarvoor hadden ze de ene provincie na de andere veroverd. Volgens experts zou Kaboel standhouden, ten minste voor een paar weken. Maar er was weinig weerstand. Laat in de avond reden de taliban in hun pick-uptrucks naar het Intercontinental. In de uren daarvoor hadden de bewakers van het hotel hun posten verlaten. Sommigen bestormden de lobby en stalen de computers. De taliban verspreidden hun strijders over het hotel en stuurden het personeel naar huis. Twee dagen later belden ze het hotelpersoneel op met de boodschap dat ze terug moesten komen en dat het Intercontinental nu weer open was.
‘In het begin waren de medewerkers bang voor ons,’ zegt Niazai. ‘Maar we hadden de opdracht om aardig tegen ze te zijn.’
Vijfde verdieping
De gouden lift stopt op de vijfde verdieping. Hier komt de hele geschiedenis van het Intercontinental samen. Links naast de lift is de ingang van de Pamir Supper Club. Vanaf 1969 werden hier uitbundige feesten gehouden. Hier traden de eerste Afghaanse popmuzikanten met lang haar en gitaren op. Afghanistan had toen nog een koning, Mohammad Zaher Shah. In 1973 werd hij door zijn neef van de troon gestoten en vijf jaar later vermoord door de communisten. De feesten gingen door. Maanden na de moord nodigde het Intercontinental gasten uit voor een Beiers feest in de club, inclusief een drankbuffet en ‘schnaps van het huis’, gesponsord door Lufthansa. In 1979 viel de Sovjet-Unie Afghanistan binnen. De Amerikaanse functionarissen in de Pamir Supper Club maakten plaats voor Russische functionarissen.
Terwijl het land afgleed naar een burgeroorlog, bleef het Intercontinental een wereld op zich. Toen de Russen in 1989 vertrokken, stopte de Afghaanse president Najibullah in zijn zwarte Mercedes voor het hotel.
In 1992 marcheerden de mujahedin Kaboel binnen, groepen islamistische heilige strijders die door de Verenigde Staten waren uitgerust en getraind om tegen de communisten te vechten. De mujahedin aten gratis in het Intercontinental en vochten in de hoofdstad al snel tegen elkaar. Raketten vlogen het Intercontinental binnen. De beruchte Ahmad Shah Massoud en zijn mannen namen het hotel over.
Op de vijfde verdieping, rechts aan het einde van de lange gang, ligt de Khyber Suite, het penthouse van het Intercontinental. De suite is rondom omgeven door een balkon waar gasten een uitzicht hebben over heel Kaboel. Op dit moment geeft de VN er een cursus over het oplossen van interpersoonlijke conflicten. Van hieruit zou Massoud zijn aanslagen hebben gepland met een verrekijker. Tot er in 1996 nieuwe, nog radicalere islamisten uit het zuiden kwamen en Kaboel voor de eerst keer veroverden: de taliban. Najibullah, de ex-president met de Mercedes, werd door hen gecastreerd en geëxecuteerd. Ze sleepten zijn lichaam door de stad en hingen hem in het openbaar op. De taliban verwijderden de stoelen in de bar van het hotel en gingen op de tapijten zitten.
Er zijn geen ramen in deze lange gang op de vijfde verdieping. Neonlichten op de muren verdringen de duisternis en werpen harde schaduwen. Geluiden en geschiedenis zinken weg in het tapijt. Het ruikt naar stof en naar iets anders, iets zurigs. De medewerkers van het hotel zijn niet graag op de vijfde verdieping. Het spookt hier, zeggen ze.
De taliban hadden de leiding over het Intercontinental tot 2001. Een dag na de aanslagen op het World Trade Center in New York hielden ze er een persconferentie. De minister van Buitenlandse Zaken van de taliban zei dat ze niet wisten waar Osama bin Laden was. ‘Ik weet alleen dat hij niet hier is,’ zei hij. Dat was een leugen. Bin Laden was een gast van de taliban en een paar maanden later de reden voor de Amerikaanse invasie van Afghanistan.
Na de invasie van de Amerikanen en hun bondgenoten werd het Intercontinental weer de ontmoetingsplaats van buitenlandse diplomaten, zakenmensen en rijke elites. De nieuwe regering renoveerde de plek met de hulp van aannemers, maar het was niet meer hetzelfde als vroeger. Eén bedrijf sloot het balkon in de eetzaal af, waar gasten de koude wind uit de bergen konden voelen als ze van hun koffie genoten. Een ander bedrijf voegde nog een eetzaal toe; op het plafond zijn wolken geschilderd en het ziet eruit als een cruiseschip. Weer een ander bedrijf verkocht de marmeren tegels in de tuin. Het hotelpersoneel zegt dat corrupte ambtenaren uit het Intercontinental pakten wat ze pakken konden, zoals ze met zoveel hebben gedaan in Afghanistan. ‘Die rotzakken hebben alles vernietigd. Het enige wat is overgebleven zijn de naam en het gebouw zelf,’ zegt een oude ober. ‘Verder is er niets meer zoals vroeger.’
De gasten barricadeerden zichzelf in de kamers, kropen in de grijzige badkuipen met hun antislipmatten
Jarenlang vochten de taliban ondergronds. Ze wonnen aan kracht, ondanks de duizenden NAVO-soldaten in het land. In 2011 vielen ze het hotel aan. Negen zelfmoordterroristen doodden twaalf mensen en zichzelf. De laatste aanvaller liet zijn bom ontploffen op de vijfde verdieping, in kamer 523. De kamer is sindsdien gerenoveerd, de badkamer is nu versierd met roze tegels. In 2018 volgde een tweede aanslag. Twaalf uur lang bezetten vier of vijf moordenaars het hotel. Ze vermoordden veertig mensen. De gasten barricadeerden zichzelf in de kamers, kropen in de grijzige badkuipen met hun antislipmatten. Een geestelijke die op dat moment in kamer 519 verbleef werd gedood bij de aanval. De man die nu schoonmaakt op de vijfde verdieping zweert dat hij hem soms hoort douchen.
In 2021, slechts drie jaar later, veroverden de taliban Kaboel voor de tweede keer. Een van de bewakers buiten het hotel kende enkele van de zelfmoordterroristen. ‘Ze waren ongelooflijk dapper,’ zegt hij. Sirajuddin Haqqani, die de aanslagen organiseerde, is nu minister van Binnenlandse Zaken. In de balzaal van het Intercontinental hield hij een toespraak waarin hij de families van de moordenaars bedankte. De deuren van de hotelkamers herinneren nog steeds aan de aanslagen. Het kogelwerende staal is bruin geverfd.
De Keuken
In de keuken wijst Faqiri, de marketingmanager, naar een grote pan waarin een lam staat te sudderen. ‘Dat heb ik verkocht voor 230 dollar. Schrijf dat op,’ beveelt hij. Twee families hebben een vergaderzaal gehuurd waar de mannen onderhandelen over de bruidsprijs voordat hun kinderen gaan trouwen. Faqiri heeft hen overgehaald om ook te blijven eten.
De ketels in de keuken bevatten voedsel voor negenhonderd mensen. ’s Middags en ’s avonds bereidt het Intercontinental een buffet. Vandaag kookt de keukenploeg ook voor zevenhonderd mensen van het ministerie van Defensie. Het eten wordt geleverd per geëscorteerde vrachtwagen – het Intercontinental is ook de cateraar van de taliban.
Sayed Mazaffar Sadat is de chef-kok van het hotel. Ze noemen hem Goldfinger. Hij deed vijf keer mee aan een kookwedstrijd op televisie en won vier keer. Hij kwam naar het Intercontinental voordat de taliban de macht overnamen, en werd verkozen boven twintig andere kandidaten. ‘Ik had geen connecties. Normaal gesproken kom je hier zonder goede connecties niet binnen.’
Sadat vertelt dat hij nooit heeft overwogen het land te verlaten, zelfs niet nadat de taliban de macht hadden overgenomen. Binnenkort vertegenwoordigt hij Afghanistan bij een kookwedstrijd in Frankrijk, en zijn vrienden zeggen dat hij daar moet blijven. Dan zou hij een van de vele jonge mannen zijn die Afghanistan legaal of illegaal verlaten in de hoop elders een beter leven te vinden. Naar schatting 1,6 miljoen Afghanen zijn gevlucht sinds de taliban aan de macht zijn. De meesten van hen leven onder precaire omstandigheden in buurlanden Iran en Pakistan. Sadat zegt: ‘Mijn filosofie is: de dood komt hoe dan ook – ook als je je land verlaat.’
In de hitte van de keuken roept een van Sadats koks tegen een talib die werkloos staat toe te kijken: ‘We hebben je niet nodig, hier. Ga naar je kantoor!’
Toen de taliban in de jaren negentig voor het eerst regeerden, werd slechts een van hen aangesteld als hoofd van het hotel. Nu hebben ze strijders in elk kantoor gezet, volgens verschillende hiërarchische niveaus: taliban en niet-taliban worden gedwongen samen te werken.
Vrouwen spelen geen rol in de beslissingen van de taliban. Alle vrouwelijke werknemers van het hotel zitten thuis. Ze zouden nog steeds hun loon ontvangen, maar mogen niet meer komen werken. De enige vrouw in het gebouw werkt beneden bij de ingang van een van de beveiligingspoorten, om vrouwelijke gasten te controleren. Haar lichaam en hoofd zijn volledig bedekt, maar ze weigert haar gezicht te bedekken. Daarvoor is ze te oud, zegt ze.
Faqiri regeert in de keuken, zwaaiend met zijn armen als iemand die zijn hele leven al instructies geeft. Hij kijkt voortdurend op zijn mobiel en is constant aan het troubleshooten. Niazai weet niet waar hij z’n handen moet laten. Hij verschikt de broodmandjes in de keuken, draait een kiwi rond in zijn handen of kijkt naar de houdbaarheidsdatum op een blikje cola. Hij is ook verantwoordelijk voor de kwaliteitscontrole, vertelt hij.
De taliban stuurden het
personeel naar huis.
– © Elise Blanchard
De taliban worden geacht te leren. De leiding heeft voor sommigen van hen een opleiding betaald en voormalige guerrillastrijders volgen nu computercursussen. De nieuwe machthebbers kondigden vrede en verzoening af. En toch blijft het voor velen een vreemde situatie: rebellen die twintig jaar lang door iedereen gevreesd werden, zitten plotseling ook op kantoor. Een voormalig werknemer van het Intercontinental zegt: ‘Een van de strijders was mijn ondergeschikte. Maar welke bevelen kon ik hem geven? Hij had een wapen.’
‘Een klant bood me ooit een visum aan voor de Verenigde Staten. Maar ik wilde niet weg. Kaboel was de beste plek ter wereld’
Niazai kijkt rond op de vervallen tennisbaan, waar het net ontbreekt en de scheidsrechtersstoel in een hoek staat te roesten. De tenniscoach is naar Spanje gevlucht, zo heeft Niazai gehoord. Hij is hier voor het eerst, want ‘Wie kan er nou tennissen?’
Niazai heeft de afgelopen twee jaar veel functies in het hotel gehad, momenteel is hij de hr-manager. Hij krijgt een salaris van 530 euro per maand en spaart voor zijn huwelijk. Op een dag zal hij dit uitbundig vieren. Hij heeft zijn bruid nog niet ontmoet.
‘Als ze mij morgen de opdracht geven om kamers schoon te maken, zal ik geen vragen stellen,’ zegt Niazai. Hij volgt blindelings bevelen op. De taliban hebben een ondoorgrondelijke commandostructuur. Duidelijk is dat de emir en zijn vertrouwelingen in Kandahar de top vormen, gevolgd door de ministers in Kaboel en hun plaatsvervangers. Maar er zijn ook sterke lokale commandanten, in Kaboel en daarbuiten. De taliban zijn een minder homogene beweging dan het soms van buitenaf lijkt.
Ooit werd Niazai door zijn commandant bevolen om zijn geliefde lange haar af te knippen. Hij deed het onmiddellijk. Eigenlijk wacht hij op een bevel dat nog niet is gekomen, dat hem terugstuurt naar een of ander front. Als dat bevel komt, vertrekt hij niet de volgende dag, zegt hij, maar direct. ‘Dit hotel is net een gevangenis,’ zegt hij. Hij mist de bergen, de bossen en de ijskoude rivieren. Als Niazai over het gras in de tuin loopt, trekt hij zijn schoenen uit om op blote voeten te lopen. Hij wil het gras onder zijn voetzolen voelen. Want dan, zegt hij, verdwijnen alle negatieve gedachten.
Tweede verdieping
De familie Hakimi verblijft op de tweede verdieping, in kamer 238 en 239. Er zijn niet veel gasten in het Intercontinental. Er zijn de Russen, die elke ochtend in een witte SUV worden opgehaald. Er is de ontwikkelingswerker uit India. De Pakistaanse zakenman die lampen van himalayazout verkoopt. En er zijn de Hakimi’s.
Hayatullah Hakimi (67) en zijn vrouw Aziza (64) ontvluchtten Afghanistan in 1988. Hayatullah had zijn eigen juwelierszaak. Maar toen kreeg de geheime dienst hem in het vizier.
Het echtpaar heeft de meest grandioze tijden van het Intercontinental meegemaakt. Als Hayatullah op vrijdagmiddag de winkel sloot, gingen hij en zijn vrouw naar het hotel. ‘In die tijd hielden we van The Beatles, de popmuziek kwam net naar Afghanistan,’ vertelt Hayatullah. Bij het zwembad speelden bands. Vrouwelijke toeristen zwommen er in badpak. Het hotel lag iets buiten de stad, omringd door pijnbomen. In de tuin klonk uit luidsprekers muziek van Ahmad Zahir, de Afghaanse Elvis, die veel te jong stierf bij een auto-ongeluk. De Hakimi’s tonen foto’s van toen: hij met een dikke snor, lang haar en een glimmende gesp aan zijn riem, zij draagt een broek met wijde pijpen.
Hayatullah zegt: ‘Een klant bood me ooit een visum aan voor de Verenigde Staten. Maar ik wilde niet weg. Kaboel was de beste plek ter wereld.’ Aziza vult aan: ‘Niemand wilde weg uit het land, niemand wilde naar Europa of Amerika. Mensen kwamen naar ons toe.’
Vanaf het balkon van de Hakimi’s kun je over Kaboel uitkijken. De stad heeft het hotel de afgelopen decennia omcirkeld. De zon komt op voor het Intercontinental en aan de achterkant onder. Witte betonnen elementen steken van het balkon van de Hakimi’s naar het balkon eronder; boven fungeren ze als borstwering en onder als zonnescherm. Daardoor lijkt het alsof elke kamer zware witte wimpers heeft. De brandende zon legt de scheuren in het beton bloot, de stad lost op in het verblindende licht en het stof. De airconditioning ratelt en beneden schrapen de harde bezems van tuinmannen over het asfalt.
De Hakimi’s wonen nu in Canada. Ze zijn naar Kaboel gekomen om hun volwassen dochters de stad te laten zien die ze ooit verlieten. Ze brengen veel tijd door met rijden door straten die ze niet meer herkennen. Aziza zegt: ‘Iedereen in dit hotel droeg prachtige pakken. Mannen droegen hun traditionele kleding alleen thuis. Het is pijnlijk om al deze veranderingen te zien.’ Hayatullah: ‘Ik huil elke nacht. Ik hoop dat het hotel openblijft. Het is een deel van onze identiteit.’
De lobby
Faqiri leunt over een bureau dat niet van hem is. Dat van hem staat in een hoek van het kantoor, maar hij gaat als vanzelfsprekend aan het grote bureau in het midden zitten. Het is van zijn supervisor, een taliban die zich zelden laat zien. Faqiri typt op zijn smartphone. Vandaag is het de Afghaanse Onafhankelijkheidsdag, waarop het vredesverdrag met de Britten, de Great Game en andere conflicten worden gevierd – gebeurtenissen die plaatsvonden aan het begin van de twintigste eeuw. Faqiri werkt aan een bericht voor sociale media, een fotocollage: Faqiri onderaan, een wapperende zwart-rood-groene vlag bovenaan. Het is de vlag van de oude Afghaanse Republiek, die werd vervangen door de witte vlag van de taliban. ‘We hebben goede herinneringen aan deze vlag,’ zegt hij, verwijzend naar de zwart-rood-groene.
‘De meeste mensen hebben meisjes thuis en hopen dat de toekomst voor hen beter wordt. Ik hoop dat alles goed komt,’ zegt Faqiri. ‘Ik wil niet weg, ik wil eerst zien hoe het allemaal loopt.’ Afghanistan ontvluchten is duur en ingewikkeld. Veel Afghanen hopen dat het leven uiteindelijk beter zal worden onder het talibanbewind. Of dat ze het kunnen uitzitten tot het voorbij is. De vorige keer waren de taliban vijf jaar in Kaboel. Alleen is er deze keer weinig teken van weerstand in het land. Kaboel ziet eruit als een stad in winterslaap, en niemand weet hoelang die zal duren. Degenen die niet vluchten – en dat is het grootste deel van de bevolking – leggen zich neer bij de situatie. ‘We moeten samenwerken met de taliban. Zij zijn de regering,’ zegt Faqiri.
Zonder goede connecties kom je het Intercontinental niet binnen. Faqiri’s vader was een van de hotelmanagers tijdens het eerste talibanbewind. Nadat Kaboel was gevallen belden ze hem en vroegen of hij terug wilde komen. In plaats daarvan stuurde hij zijn zoon.
Tijdens het eerste talibanbewind bezocht Mullah Omar, oprichter en hoofd van de taliban, ooit het hotel, kamer 124. Er waren geen gasten. Omar vroeg aan Faqiri’s vader: ‘Waarom is hier niemand?’ Faqiri’s vader zei tegen de talibanleider: ‘Mensen komen niet omdat ze bang voor je zijn.’ Waarop Mullah Omar via de radio aankondigde dat alle buitenlanders die veilig in Kaboel wilden verblijven moesten inchecken in het Intercontinental. Het verhaal gaat dat het hotel de volgende dag vol zat.
Ook Faqiri heeft veel ideeën over hoe het hotel volgeboekt kan raken. De balzaal vergroten, een helikopterplatform bouwen. Of een van de faculteiten van de universiteit op het enorme terrein van het Intercontinental neerzetten. Een ziekenhuis misschien. Maar dat alles kost geld, wat niemand op dit moment heeft.
En dan is er nog de kwestie van de bruiloften. Vroeger vonden er grote feesten plaats in de balzaal van het hotel. Afghaanse bruiloften worden door honderden gasten bijgewoond en hebben traditioneel een mannen- en een vrouwenafdeling. Onder de taliban is het verboden om muziek te spelen op bruiloften, maar soms is er in het vrouwengedeelte nog wel muziek te horen. Het lukt Afghaanse vrouwen doorgaans wel om dat voor elkaar te krijgen en de taliban durven de afdeling voor vrouwen niet te inspecteren. Maar in het Intercontinental, het hotel van de taliban, is muziek ten strengste verboden. Faqiri schat dat het muziekverbod hem al meer dan een half miljoen euro heeft gekost. ‘De taliban moeten opener worden. Dat heb ik nodig, anders kan ik mijn targets niet halen.’ Maar waarschijnlijk lijdt het hotel dit jaar opnieuw verlies.
Faqiri had kunnen vluchten. Op 15 augustus 2021, de dag dat Kaboel viel, was een vriend van hem op het vliegveld. Hij kon een plekje voor hem bemachtigen op een van de evacuatievluchten. Maar Faqiri bleef. Hij wilde niet alleen vertrekken, hij wilde eerst trouwen met zijn verloofde. De bruiloft vond later plaats in de grote balzaal van het Intercontinental. Zijn vrouw beviel kort na de bruiloft van een zoon. Hij heeft het idee om naar het buitenland te gaan nog niet helemaal opgegeven. Hij zou graag ergens zijn proefschrift willen schrijven. Maar voorlopig blijft hij hier. Hij is aan het wachten. Mist hij het oude Afghanistan? ‘Natuurlijk wel.’
‘Men denkt dat de taliban hier zijn om iets kapot te maken. Maar we willen hier juist iets opbouwen’
De gouden lift stopt op de eerste verdieping. Terroristenleider Osama bin Laden verbleef hier kort, in kamer 196 en 197. Direct naast de lift slingeren dikke kabels naar een deur en verdwijnen onder de vaste vloerbedekking van kamer 114. Hier zit de geheime politie voor videoschermen. Ze willen de kabels in de toekomst beter wegwerken, vertelt een van de agenten op spijtvolle toon. Verderop in de gang, in kamer 122, bevindt zich het kantoor van Hafiz Zia-ul-Haq Jawad, de directeur van het hotel. Hij heeft plaatsgenomen in zijn fauteuil. ‘Men denkt dat de taliban hier zijn om iets kapot te maken. Maar we willen hier juist iets opbouwen,’ zegt hij.
Jawad zegt dat het hem pijn doet om de kamers in het hotel te zien verloederen. Het is de vijf sterren niet langer waard, volgens hem. Hij vertelt ons dat hij het wil renoveren en voor iedereen toegankelijk maken. Sinds de taliban de macht overnamen, komen de inwoners van Kaboel, taliban en niet-taliban, soms naar het hotel om een foto van het uitzicht te maken. Vroeger zouden ze bij de eerste veiligheidsbarrière al zijn weggestuurd.
‘Wij geven veel om dit hotel,’ zegt Jawad. Het is onduidelijk wat er zal gaan gebeuren. Het merendeel van het personeel werkt hier al jaren. Maar goed opgeleide jonge mannen verlaten het land. De taliban denken nu aan een hotelacademie. En het Intercontinental moet een van de beste vijfsterrenhotels in de hele regio worden. Het verantwoordelijke ministerie is momenteel op zoek naar investeerders. Een Turks bedrijf heeft een bod uitgebracht op het hotel, maar dat was niet goed genoeg, zegt Jawad. ‘We doen het niet zo slecht dat we het hotel weg gaan geven.’
Samiullah Faqiri,
marketingmanager van
het Intercontinental.
– © Elise Blanchard
Jawad zegt dat hij geen onderscheid maakt tussen taliban en niet-taliban als het om zijn werknemers gaat. ‘Ik discrimineer niet.’ Hij vertelt dat hij maar om één ding geeft: dat iedereen hard werkt, eerlijk is en de natie dient. ‘Soms ga ik naar de keuken. Daarmee laat ik iedereen zien: ik ben een van jullie. We willen niet dat iemand denkt dat de taliban hier maar voor een korte periode zullen zijn.’
Aan de muur van zijn kantoor hangt een foto van de hoogtijdagen van het hotel, waarop mensen in het zwembad te zien zijn. De vrouwen op de ligstoelen zijn overgeschilderd met witte verf.
Zwembad
Boven het zwembad fladderen ’s avonds de vleermuizen. Ze jagen op de zwermen muggen boven het stilstaande water. In het diepe gedeelte bevindt zich een groenachtig bezinksel; het water moet nodig ververst worden. Een mug landt op de frietjes van Niazai. Zoals elke avond heeft hij zijn bord bij het buffet gevuld. Naast hem aan tafel zit Faqiri. Lampjes boven hen verlichten het tafereel.
Het verval, de scheuren, die in het scherpe daglicht zo zichtbaar zijn, worden nu verdoezeld door de gekleurde lichtjes. De wind ruist door de dennenbomen. Faqiri heeft zijn hand op Niazais stoel gelegd. Hij zegt dat ze vrienden zijn. En even lijkt het er echt op dat ze dat zijn, twee jonge mannen, allebei glimlachend. Faqiri rookt dunne sigaretten. Niazai rookt niet.
De meeste vrienden van Faqiri hebben Afghanistan verlaten. Degenen die bleven waren altijd al taliban, zonder dat hij dat wist. Op de universiteit in India namen ze ooit een grappige video op, hij en zijn Afghaanse medestudenten, dansend voor de universiteit. Na de val van Kaboel belde een van zijn medestudenten hem op met de vraag of hij de video wilde verwijderen, omdat hij een taliban was.
Voor Niazai was het een spel om een mol te zijn, anderen te bespioneren en in het geheim oorlog te voeren. ‘Nu is het spel voorbij,’ zegt hij. De Russen zitten in een donker hoekje bij het zwembad. Zij zijn er op uitnodiging van het ministerie van Defensie. Zij hebben de opdracht gekregen om oude Russische helikopters weer luchtwaardig te maken voor het leger.
Ik vraag Faqiri even later wat hij leuk vindt aan Niazai. ‘Het is een goeie kerel. Hij zegt nooit nee als er werk gedaan moet worden.’ Faqiri zegt dat de taliban hem en de andere niet-taliban in het hotel nodig hebben. Hij legt uit dat Niazai en de andere taliban slechts heel langzaam leren hoe ze een hotel als dit moeten runnen. Faqiri vormt een soort brug tussen de taliban en de overige medewerkers, maar ook tussen de taliban en de klanten. Het is niet gemakkelijk met de nieuwe heersers. ‘Het is belangrijk dat ik ze begrijp. Maar ze verklaren zichzelf nooit.’
Ik stel Niazai dezelfde vraag: wat vindt hij leuk aan Faqiri? ‘Hij heeft een zuiver hart. En hij is nooit jaloers.’ Als Niazai iemand van het Intercontinental niet mag, zijn diens dagen in het hotel over het algemeen geteld, zegt hij. Formeel zijn hij en Faqiri gelijk. Maar hij heeft meer invloed omdat hij een taliban is, legt hij uit.
Niazai houdt van motorrijden. Jarenlang voerden de taliban hun strijd op oude Honda’s, altijd met een deken op het zadel om ’s nachts te kunnen slapen. Ze reden altijd hard. Faqiri heeft nog nooit motorgereden. Hij vertelt dat werken bij het Intercontinental zijn droombaan is. ‘Ik wil een paar jaar hard werken, dan ben ik tevreden en ben ik klaar met het hotel.’ Hij wil dit jaar drie miljoen euro winst maken, dat is zijn doel. ‘Ik kan het,’ zegt hij.
Op een gegeven moment staat Faqiri van de tafel bij het zwembad. Hij gaat naar huis, waar zijn vrouw en zoon op hem wachten.
Kelder
Het is na elven en het licht in de kroonluchters wordt gedoofd. Het Intercontinental is gehuld in duisternis. De wasruimte in de kelder is gesloten, de sauna en de schoonheidssalon zijn sowieso gebarricadeerd. Alleen vanuit de fitnessruimte valt een glinstering van neonlicht op de witte tegels. Niazai fietst er op een hometrainer. Elke avond oefenen hij en zijn vrienden hier, vertelt hij. Zijn vrienden zijn de talibanbewakers van het hotel. Maar vandaag is hij alleen. Hij heeft zijn traditionele kledij afgelegd en draagt een trainingspak van Under Armour, een sportmerk dat ooit populair was bij Amerikaanse soldaten in Afghanistan. De vuilnisbakken zitten vol lege Red Bull-blikjes.
Niazai zei een keer tegen mij: ‘Vrede is goed voor Afghanistan. Maar voor ons is het saai.’ Hij is bang om aan dit leven te wennen. Hij was nooit bang om te vechten, maar maakt zich nu zorgen dat hij op een dag bang zal zijn om weer te strijden.
Veel apparatuur in de fitnessruimte is kapot. Het handvat van de roeitrainer ontbreekt; een vriend van Niazai trok het er in zijn enthousiasme af. Ook de bokszak is kapot door verwoed gebruik. Het is stil, alleen het zoemende geluid van Niazais pedalen verstoort de stilte. Hij vertelt dat hij niet veel slaapt, dat doen zijn vrienden ook niet. Hij vertelt me waar hij naar kijkt als hij soms alleen in de lobby zit met een koptelefoon op: video’s van talibanoperaties in heel Afghanistan, die worden gedeeld in relevante WhatsAppgroepen. Hij hoeft het nieuws niet te volgen, zegt Niazai. Hij weet beter dan de journalisten wat er in het land gebeurt.
Zijn geoliede haar valt in zijn gezicht terwijl hij over het stuur leunt. In zijn trainingspak ziet hij er bijna uit als een gewone jongeman. Uitgespuugd door de oorlog.
Het Intercontinental is gehuld in duisternis. Niazai weet nog niet wanneer hij gaat slapen.