In Mallorca en op de Canarische eilanden demonstreren inwoners tegen toeristen. Maar waarom? Als hotels en restaurants hun prijzen zouden verhogen was het probleem vermoedelijk sneller opgelost.
Mallorca: een inferno van ‘Wein, Weib und Gesang’. Berlin-Mitte: vrijwel onbewoonbaar vanwege drinkende toeristen die een weekendje Airbnb’en. De Dolomieten: verstikt in de Instagram-waanzin. ‘Overtoerisme’ heet dat lijden van de inwoners onder hun bezoekers. Dat klinkt intellectueel. En het duidt op een diep wantrouwen tegenover dé factor die een einde zou kunnen maken aan deze nachtmerrie: de prijs. Wie het te druk vindt worden, verhoogt de prijs. Wie dat niet doet, vindt het niet te druk.
Tot ver in de twintigste eeuw was toerisme een zaak van de welgestelden, de hoogopgeleiden en de rijken. De grens over gaan was duur en ingewikkeld, er waren niet veel vrije dagen. De middenstand permitteerde zich een zomervakantie op het platteland, de kleine man kwam in het beste geval niet verder dan de rand van de stad. Wie verlangde naar zon en frisse lucht voer in een bootje op de Müggelsee, amuseerde zich in de Englische Garten (München), of bewerkte zijn volkstuintje. Dat was al heel wat.
Dat veranderde ingrijpend in de zestiger jaren. In West-Duitsland en enkele andere Europese landen begon nu ook de massa te reizen. De eerste klachten over drukte op het strand in Italië, lelijke toeristenhotels in Spanje en al te zakelijke horeca in Parijs lieten niet lang op zich wachten. Indertijd waren het de reizigers die zich beklaagden over de gevolgen van het massatoerisme, niet de middenstanders. Die verheugden zich over hun toenemende welvaart.
Druk
In het nieuwe millennium begonnen de echte problemen. Intussen duiken in de zomermaanden niet meer alleen een paar miljoen Duitsers, Fransen en Engelsen op de beste plekken ter wereld op als luidruchtige, maar ook trouwe toeristen met volledig verzorgde vakanties. Ook de landen van het voormalige oostblok zijn welvarend geworden, en hun burgers halen in wat hun decennialang verboden was. China en India zijn de volkrijkste landen ter wereld. Hoe meer welvaart daar wordt bereikt, hoe groter ook de reislust wordt. In 2019 werden er wereldwijd 1,5 miljard reizen over grenzen gemaakt – ongeveer de helft daarvan ging naar Europa.
Het is dus druk geworden. De vraag is groot, het aanbod kan het niet bijhouden. In elke normale wereld zouden de aanbieders nu twee mogelijkheden hebben om daarmee om te gaan. Ze zouden de capaciteit kunnen uitbreiden, of de prijzen verhogen. In de wereld van het toerisme bestaat blijkbaar nog een derde mogelijkheid: de bijzonder populaire bestemmingen breiden de capaciteit uit, verhogen de prijzen een beetje – en klagen.
Veel mensen met weinig ruimte, dat geeft problemen. Nogal wiedes. Op Mallorca en Tenerife wordt gedemonstreerd tegen de toeristen al tegen gevaarlijke en gewelddadige misdadigers. In de Alpen worden vakantiegangers als kalveren op een veemarkt door de dalen geloodst en in Florence moeten bezoekers in de toekomst misschien wel ’s nachts langs de David van Michelangelo schuifelen. En dat terwijl deze problemen zeer eenvoudig op te lossen zijn. Wanneer een parkeertarief van 70 euro per dag het gebrek aan ruimte in het centrum van Florence niet oplost, moet het dus 100 euro worden. Wanneer een biertje voor 6,50 euro in strandtent de Ballermann op Mallorca niemand belet om zich zwaar te bezatten, ligt de all-you-can-drinkgrens misschien op 15 euro. Per glas, niet per liter. Reken daar bovenop nog luchthavenbelasting, tolgeld per straat, overnachtingstarieven – de overspoelde regio’s hebben alle mogelijkheden om de toestroom te beperken als ze de toegangsprijs zouden verhogen. New York, Londen en Zürich laten zien hoe het moet.
Wantrouwen
Waarom doen de andere steden, hun bewoners en horeca dat niet? Omdat het ze misschien toch niet zó hoog zit, en omdat ze bang zijn. Ze wantrouwen de prijs als reguleringsmechanisme. Wat doen ze als de strijd om de handdoeken bij de hotelzwembaden plotseling luwt omdat er nauwelijks nog iemand op komt draven? Hoe zouden ze reageren als de zuiptoeristen zich weer vol lieten lopen in de lallende hel van Rüdesheim, de Drosselgasse?
Dan zouden de klaagzangen van de bewoners gegarandeerd nog luider klinken. De bezettingsgraad zou teruglopen, arbeidsplaatsen zouden verdwijnen, de zaken zouden zich verspreiden en naar elders verplaatst worden. Op Sicilië worden tegenwoordig nog leegstaande huizen voor niks weggegeven, in de Harz hoef je zelfs in de zomer niet lang op je bekertje ijs te wachten, en in de Baltische landen zijn de Oostzeestranden minstens zo mooi als op Rügen.
De mensen zouden toch blijven reizen. Alleen ergens anders heen. En dat is het laatste wat de Mallorcanen, de Berlijners en de Zuid-Tirolers willen.