
Eind maart 2016 werd de stad Palmyra door het Syrische regeringsleger heroverd op Islamitische Staat (IS). De terreurbeweging had de stad geplunderd en veel religieuze bouwwerken en erfgoed vernietigd omdat deze in haar ogen afgoderij waren. Nu, negen jaar later, is dictator Bashar al-Assad verdreven en zit Syrië in een fase van wederopbouw. Moet Palmyra ook worden herbouwd?
Ja: ‘Duistere krachten mogen niet bepalen wat wij over ons verleden mogen weten’
Simon Jenkins, columnist bij The Guardian, schreef in een column op 29 maart 2016 dat ‘voor degenen die Palmyra in al haar vroegere glorie hebben gekend, de herovering een ware opluchting is. Maar de stofwolken zijn nauwelijks neergedaald in de Syrische woestijn, of er arriveren al nieuwe groepen archeologen op het toneel, op zoek naar antwoorden: in hoeverre moeten we herstellen wat is verwoest? Met welke middelen? Wie is daarvoor verantwoordelijk? Hoort Palmyra bij de wereld of bij Syrië?’
Aan bereidwilligheid om de stad te herbouwen was in ieder geval geen gebrek. Zo vertrok de directeur-generaal van Oudheden en Musea van Syrië, professor Maamoun Abdulkarim, eind maart 2016 al naar Palmyra om de omvang van de schade op te nemen en zich in te zetten voor de wederopbouw van de plek waar hij zo veel van hield. Rusland, de weldoener en belangrijkste bondgenoot van het land, vergeleek de wederopbouw van Palmyra met die van Leningrad na de Tweede Wereldoorlog. In Italië promootte de voormalige minister van Cultuur Francesco Rutelli het ambitieuze idee om 3D-printing te gebruiken om in puin gevallen tempels te herbouwen. Ook andere partijen uit de private sector boden hun hulp aan.
Na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de Raad van Europa een geheel nieuwe ideologie over erfgoed, aldus Jenkins. De heersende opvatting was nu dat verwoest erfgoed onveranderd bewaard moest blijven. ‘In het victoriaanse tijdperk hebben we herbouwd. Maar in de twintigste eeuw moest ieder getuigenis van de destructieve impulsen van de mensheid worden bevroren in een herdenkingsmonument. De romantische ruïnecultus herleefde in de vorm van een boetefetisjisme.’
Na de Tweede Wereldoorlog werd de heersende opvatting dat verwoest erfgoed onveranderd bewaard moest blijven
Mogelijk zullen de verwoestingen die IS in Irak en Syrië heeft aangericht deze kijk op erfgoed veranderen, schrijft Jenkins. Hij vindt dat we duistere krachten niet mogen laten bepalen wat wij over ons verleden mogen weten. Bovendien beschikken we over technieken zoals 3D-printen, waarmee we eeuwenoude ruïnes weer tot leven kunnen wekken, net zoals we met fotografie mensen kunnen vereeuwigen en meesterwerken voor een breed publiek toegankelijk kunnen maken. ‘Natuurlijk blijven het kopieën. Ze missen authenticiteit. Maar is dat zo belangrijk?’ vraagt hij zich af.
Bovendien is er volgens hem nog een factor in het spel: de morele verantwoordelijkheid die het Westen draagt voor de militaire en politieke catastrofe in het Midden-Oosten, die de verplichting tot reparatie onvermijdelijk maakt. ‘Op dit moment verwoesten onze gevechtsvliegtuigen en die van Saoedi-Arabië de oude Arabische stad Sanaa in Jemen. Drones en bommenwerpers vallen IS-doelen aan in Noord-Libië.’ Palmyra herbouwen zou een manier zijn ‘om vast te leggen en te bewaren wat onze eigen strijdkrachten in navolging van IS vernietigen’, aldus Jenkins.
Nee: ‘Reconstructie kan een vertekend beeld van de stad neerzetten’
Jonathan Jones, kunstrecensent en eveneens werkzaam bij The Guardian, is stellig van mening dat Palmyra niet mag worden herbouwd. ‘Ze mag geen replica worden van haar vroegere glorie. We moeten tact en eerlijkheid aan de dag leggen om te behouden wat er nog over is van deze oude stad – gelukkig veel meer dan we vreesden – na de verwoesting door IS,’ schreef hij in een opiniestuk op 11 april 2016.
Reeds voordat IS in 2015 de Syrische stad innam, was ze geliefd bij archeologen, historici en kenners van de klassieke oudheid. Door enkele van haar juweeltjes met explosieven te vernietigen en de pracht en praal van de stad met zijn wreedheden te ontsieren, droeg IS op beestachtige wijze bij aan de verspreiding van de roem van Palmyra, aldus Jones.
Hij verwacht dat toeristen massaal naar de ruïnestad zullen komen als de oorlog in Syrië voorbij is. ‘En wat zullen ze vinden? Ruïnes, natuurlijk. Palmyra lag vóór de bezetting door IS al in puin (…) Dat hoort bij de aard van oude steden. Mycene, Machu Picchu, Rome en het Forum Romanum: geen van deze locaties verkeert nog in perfecte staat. Hun poëzie ligt in de littekens die de tijd, de natuur en de geschiedenis er hebben achtergelaten.’
‘We moeten tact en eerlijkheid aan de dag leggen om te behouden wat er nog over is van deze oude stad’
Het is ook weer niet zo dat Palmyra één grote woestijn is. Zo beschikt de stad over bijzonder goed bewaarde oude gebouwen, schrijft Jones. ‘De Tempel van Bel is een indrukwekkend overblijfsel van de oude religie van de stad. Sinds IS het gebouw in 2015 opblies, zijn er nog maar twee pilaren en een omlijsting van de ingang over. Ook een triomfboog ter ere van de Romeinse keizer Septimius Severus had de tand des tijds doorstaan, totdat deze in oktober 2015 op brute wijze werd verwoest.’
De kunstrecensent begrijpt dat archeologen zich de vraag stellen hoe we deze verschrikkelijke verliezen kunnen verhelpen. Toch vraagt hij zich sterk af of deze aanpak de juiste is. ‘Restaureren is een delicate kunst en het verantwoord bewaren van antiquiteiten vereist dat men het definitieve karakter van een verlies accepteert, terwijl reconstructie een vertekend beeld van de stad kan neerzetten.’
Dat wil niet zeggen dat hij tegen iedere vorm van reconstructie is. ‘Als er voldoende fragmenten van gebouwen en sculpturen in een herkenbare vorm worden gevonden, kunnen delen van gebouwen of zelfs hele structuren worden gereconstrueerd. Dat zou geweldig zijn. Aan de andere kant zou het eerlijker zijn om de fragmenten tentoon te stellen in een speciaal daarvoor ingericht museum.’
Jones vindt het niet legitiem om oude monumenten te reconstrueren met moderne materialen om ontbrekende delen te vervangen. Dat zou volgens hem niet mogelijk zijn zonder afbreuk te doen aan de archeologische realiteit.
‘Het zou eerlijker zijn om de fragmenten tentoon te stellen in een speciaal daarvoor ingericht museum’
‘De harde les die we uit drie eeuwen moderne archeologie kunnen leren, is dat overmatige restauraties het verleden beschadigen. Pompeii werd opgegraven door nauwgezette specialisten die de schilderingen bewaarden zonder ze al te uitgebreid te restaureren en die de Romeinse huizen niet “afmaakten”. Op de vindplaats Knossos op Kreta heeft de Britse archeoloog Arthur Evans daarentegen met zijn arrogante en overmatige restauratie een enorme bende aangericht,’ schrijft hij.
‘Het is altijd indrukwekkender om de echte overblijfselen van het verleden te zien, hoe beschadigd ze ook zijn, dan een min of meer getrouwe weergave van het origineel (…) Het zou zeker beter zijn geweest als IS niet had toegeslagen. Maar de geschiedenis heeft anders beslist. De terroristische aanval op Palmyra is geen hersenspinsel. Het is echt gebeurd. Dit drama uit de eenentwintigste eeuw is inmiddels onderdeel van de geschiedenis van Palmyra. Omwille van de waarheid en als les voor de toekomst moet deze realiteit ook bewaard blijven,’ concludeert Jones.