
Er heerst een sentiment dat de vernislaag van beschaafdheid snel verdwijnt in tijden van crisis, maar niets blijkt minder waar. Rampen halen juist het goede in de mens naar boven.
Een vliegtuig boort zich in een van de hoogste torens ter wereld. Een ongekende noodsituatie, medewerkers van talloze verdiepingen moeten een voor een via de trap het gebouw verlaten. Hoe zou een dergelijke scène worden uitgebeeld in een Hollywood-film? Krijsende, duwende, egoïstische mensen die anderen vertrappen om zichzelf in veiligheid te brengen. Hoe ging het op 11 september 2001 in New York? In het hele gebouw werd de kalmte behouden die nodig was om vrijwel iedereen er levend uit te krijgen. De mensen die werden geëvacueerd hielpen anderen, droegen gewonde collega’s of leidden onbekenden door donkere trappenhuizen. Bij de ene na de andere ramp blijkt dit de norm: extreem egoïsme komt niet voor, de getroffenen tonen zich eerder menslievend, om niet te zeggen heldhaftig, ten aanzien van onbekenden. In crisissituaties, zoals de massale stroomuitval op het Iberische schiereiland van vorige week, gaan mensen niet met een honkbalknuppel hun buren te lijf. Ze zullen hun eerder een pakje batterijen geven, zelfs als ze tot dan toe nooit een woord met elkaar hebben gewisseld. Waarom blijven we dan toch geloven dat onze natuurlijke reactie hieraan tegenovergesteld is?
‘Rampenfilms en de media blijven de gemiddelde mens afschilderen als hysterisch of meedogenloos in het geval van een ramp. We hechten meer geloof aan de stemmen die ons afschilderen als slachtoffers of bruten dan aan onze eigen ervaringen,’ vat schrijver Rebecca Solnit het samen in haar essay ‘A Paradise Built in Hell’, waarin ze alle positieve reacties op een rij zet die we hebben gezien bij mensen die werden geconfronteerd met een ramp. Ons recente geheugen wordt bevolkt door apocalyptische angstbeelden en werkelijke rampen: de overstromingen in Valencia, de wereldwijde computerstoring, de coronalockdown… In al die gevallen waren we getuige van daden van solidariteit, zoals die op 28 oktober. Een Spaans centrum voor sociologisch onderzoek (het CIS) heeft dit vertaald in een statistiek: 88,2 procent van de Spanjaarden heeft mensen gezien die zich goed of heel goed gedroegen; slechts 5,3 procent meldde dat mensen zich gemiddeld, slecht of heel slecht gedroegen.
‘We hechten meer geloof aan de stemmen die ons afschilderen als slachtoffers of bruten dan aan onze eigen ervaringen’
‘De realiteit laat zien dat mensen zodra een crisis ontstaat de neiging hebben om elkaar te helpen; er ontstaat solidariteit. Dat helpt ons om weer controle te krijgen en om te bevatten wat er is gebeurd, en ook om de emoties van die ervaring te verwerken,’ legt psycholoog Lidia Rupérez uit, gespecialiseerd in noodsituaties. En dat is niet alleen omdat de Spanjaarden zo vriendelijk zijn; het zit in de aard van de mens.
‘Het probleem met de paniekmythe is dat die uitgaat van een overreactie op een noodsituatie. Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat bij noodsituaties mensen eerder juist om het leven komen door onderreactie,’ aldus Stephen Reicher, hoogleraar sociale psychologie aan de University of St. Andrews in Schotland en gespecialiseerd in collectief gedrag. Hij houdt zich al tientallen jaren bezig met dit fenomeen en is nog altijd gefascineerd door de hardnekkigheid van het misverstand, dat door specialisten ‘de rampmythe’ wordt genoemd; een mythe die de solidariteit versluiert die we juist als waardevolle kwaliteit moeten omarmen.
Na de aanslagen in Oklahoma City in 1995, in Madrid in 2004 en in Londen in 2005, toen de eerste schok en de angst de overhand hadden en er nog werd gewacht op de hulpdiensten, vervaardigden omstanders geïmproviseerde brancards en legden ze tourniquets aan bij onbekenden. De zogeheten zero responders bij deze en vergelijkbare tragedies zijn vaak andere slachtoffers of volstrekt altruïstische onbekenden: dit is een wereldwijd fenomeen met lokale wortels. ‘Talloze eerdere onderzoeken en rampen die zich hebben voorgedaan in Spanje, zoals de bomaanslagen in Madrid of de vulkaanuitbarsting op La Palma, hebben ons geleerd dat samenwerking de menselijke norm is. In Spanje is de sociale cohesie heel sterk,’ aldus socioloog Celia Díaz van de Complutense University in Madrid.
‘Gedeelde identiteit ontstaat uit een gevoel van een gedeeld lot, het gevoel dat we allemaal hetzelfde meemaken’
‘Gedeelde identiteit ontstaat uit een gevoel van een gedeeld lot, het gevoel dat we allemaal hetzelfde meemaken. De grootste uitdaging is om dat gevoel over een langere periode vast te houden,’ zegt Reicher. Een gevoel van verbondenheid werkt wederzijdse hulp in de hand, spontane coördinatie en vertrouwen in de ander. Dit principe wordt beschreven in de sociale psychologie en is evolutionair gezien al heel vroeg ontstaan: we zorgen voor anderen die dat nodig hebben omdat we niet zonder elkaar kunnen overleven.
Paleontologen hebben niet ver van Xàtiva, in Valencia, de overblijfselen gevonden van Tina, een Neanderthalermeisje met het syndroom van Down. Honderdduizenden jaren geleden hebben deze vroegste verwanten van de homo sapiens, onder de zwaarst denkbare omstandigheden, voor dat meisje gezorgd tot aan haar zesde levensjaar, zonder daar iets voor terug te verwachten. Het paleontologische dossier staat vol met zulke gevallen: tandeloze mensen die moesten worden gevoerd, armen of benen misten, artritis hadden, zware botbreuken die weer heelden of doof waren. Dat deze mensen overleefden kan alleen worden verklaard doordat er dagelijks voor hen werd gezorgd, doordat was besloten ze niet te laten vallen. De mensheid heeft geleerd lantaarns te maken, maar leerde lang daarvoor al zorgen voor wie in het duister achterbleef.
En na de schok?
De stroomstoring in Spanje duurde slechts enkele uren. Wat zou er zijn gebeurd als deze langer had aangehouden? Na de aanvankelijke heldhaftige fase dringt het besef van de verliezen door, maar de samenwerking blijft bestaan. Al enkele decennia lang circuleert de overtuiging dat de gehele mensheid binnen 48 uur – of vier maaltijden – kan instorten; een uitspraak die wordt toegeschreven aan de Britse geheime diensten, maar die geen enkele empirische basis heeft en eerder een logistieke simplificatie is. ‘Ik begrijp best dat veiligheidsdiensten het slechtste in de mens zien, maar ze zouden er goed aan doen de geschiedenis wat nauwlettender te bestuderen,’ merkt Reicher op.
Na de zware aardbeving en de tsunami van 2011 kampte Japan wekenlang met ernstige tekorten, doordat de infrastructuur was verwoest en een nucleaire ramp dreigde. Maar in de rijen voor het eten overheerste solidariteit en er werd nauwelijks geplunderd. In 1998 zorgde een sneeuwstorm voor enorme verwoestingen in Canada, miljoenen mensen zaten dagen of weken zonder elektriciteit. De autoriteiten registreerden een duidelijke daling in de criminaliteit, buren namen hele gezinnen die geen warmtebron hadden in huis en de al bestaande solidariteitsnetwerken – zoals coöperaties en parochies – werden hechter. Doeltreffend overheidsoptreden, van militaire inzet tot steunuitkeringen, versterkte het vertrouwen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zagen we dat in Engeland de onvrede over het bonnensysteem toenam, maar dat was omdat de rijken op de zwarte markt bonnen konden kopen en zich nog altijd luxe artikelen konden veroorloven. ‘Mensen komen in opstand als ze onrecht ervaren: sommigen hebben wel te eten en anderen niet; sommige mensen hamsteren en drijven de prijzen op… Als we sociale onrust willen voorkomen moet de overheid voorkomen dat elites profiteren en toezien op een eerlijke verdeling,’ zegt Reicher.
‘Een kenmerkend patroon is een hoge mate van onmiddellijke solidariteit en onderlinge hulp, die vervolgens wordt ondermijnd door overheidsingrijpen,’ voegt hij eraan toe. Wanneer onrust ontstaat, is het probleem dus niet de ‘menselijke natuur’, maar het politieke ingrijpen, dat de inzet van burgers ondermijnt in plaats van deze te benutten – vooral wanneer het officiële optreden te laat komt of onbevredigend is. ‘Overheden zijn vaak paternalistisch. Ze zien het publiek als kinderen of dieren die verzorgd moeten worden. Dat zagen we tijdens covid, toen ze het publiek beschouwden als onderdeel van het probleem dat moest worden aangepakt.’
‘Overheden zijn vaak paternalistisch. Ze zien het publiek als kinderen of dieren die verzorgd moeten worden’
Een gebrek aan informatie kan de situatie verergeren: zestig procent van Spanjaarden had tijdens de black-out behoefte aan meer informatie, aldus het CIS. ‘In Spanje is het onderlinge vertrouwen tussen mensen erg groot – iets wat ook al tot uiting kwam bij de vaccinatiebereidheid tijdens de pandemie. Maar het vertrouwen in de overheid is veel lager,’ merkt Díaz op. Daarom, aldus de socioloog, ‘was niemand er echt ondersteboven van’ dat de regering zo lang wachtte met communiceren; ‘ze hadden niet veel anders verwacht’.
Dit betekent niet dat mensen geen hevige stress ervaren, maar de sociale ineenstorting die zo vaak in films wordt gepresenteerd, is eerder de uitzondering dan de regel. Er zijn bovendien omstandigheden die veel meer invloed hebben dan simpelweg hoe lang de oplossing op zich laat wachten. New York is wat dat betreft een goed voorbeeld. Tijdens de grote stroomuitval van 2003 meldde de politie minder incidenten dan op een normale dag. Tijdens de black-out van 1977 daarentegen, toen de stad werd geteisterd door criminaliteit, armoede en raciale spanningen, sloegen de plunderingen snel toe.
‘De aanhoudende mythe van “ieder voor zich” heeft ook te maken met het feit dat ons collectieve voorstellingsvermogen de laatste decennia vooral dystopisch is geworden,’ legt Díaz uit. ‘Oorlogen, de bestorming van het Capitool – al die beelden staan scherper op ons netvlies gebrand dan de vrolijke.’ En dan is er natuurlijk nog de rol van de media bij het verspreiden van deze perceptie van chaos. Dat brengt ons bij het favoriete voorbeeld van dit betoog: het massaal inslaan van wc-papier. Een volkomen redelijke vorm van massahysterie, volgens Reicher: ‘Als je hoort dat anderen zich irrationeel gedragen door een bepaald product te gaan hamsteren, dan is het rationeel om je daarbij aan te sluiten voordat de schappen leeg zijn.’ Een lange rij heeft een grotere nieuwswaarde dan twee buren die op de trap kaarsen uitwisselen. Maar ondertussen zijn het wel onze buren die ons zullen redden van de apocalyps.