Valse papieren

Estimated read time 18 min read
DASMAG Valeria Papieren VP HR

De zomer is vaak de uitgelezen tijd om de zinnen te verzetten met literatuur. 360 Magazine presenteert drie voorpublicaties om in te verdwijnen of de geest mee te slijpen. Dit is de voorpublicatie van Valse papieren van Valeria Luiselli.

Lees ook:

» De eeuw van de nomade

» Rust in je hoofd 

Voor een ongeduldige persoon bestaat er geen genadelozer marteling dan het kijken naar de kaart van een enorm gedeelte van de wereld die sinds een tijdje standaard tijdens trans-Atlantische vluchten op een klein beeldschermpje wordt aangeboden, waarboven een wit vliegtuigje elke zestig seconden één millimeter opschuift. Een halfuur gaat voorbij, één, twee, drie uren gaan voorbij, en het symbooltje sleept zich nog altijd voort boven hetzelfde monotone blauw, al ver verwijderd van de continentale kusten. Het beste zou zijn te gaan slapen of iets te lezen, en pas weer te kijken wanneer het vliegtuigje twee centimeter is opgeschoven boven deze wereldkaart. Maar de ongeduldige is ertoe veroordeeld het vliegtuigje nauwkeurig in de gaten te houden, alsof hij het, door dat maar heel erg te willen, een beetje sneller vooruit kan laten gaan.

Geen enkele uitvinding is ooit zozeer tegen de aard van kaarten ingegaan als deze, waarbij de reiziger een traject opgelegd krijgt en hij noch een alternatieve route kan kiezen noch op zijn schreden kan terugkeren. Een kaart is een spatiële abstractie; er een ruimtelijke dimensie aan opleggen – bijvoorbeeld in de vorm van een stopwatch of een miniatuurvliegtuig – druist tegen het eigenlijke doel in. Plattegronden zijn per definitie onbeweeglijk, tijdloos; en juist daarom zijn ze niet in staat het voorstellingsvermogen te beperken van de persoon die hen bestudeert. Het hoort zelfs zo te zijn dat de ruimte die een cartografische plattegrond ons voorspiegelt – de stilte en rust van het abstracte gebied – de verbeelding stimuleert. Alleen maar over een statisch, tijdloos oppervlak kan onze verbeelding vrijuit rondwaren.

Het is bekend dat ons abstractievermogen groter is dan het vermogen ons het concrete in gedetailleerde vorm voor te stellen. Voor de gemiddelde mens blijkt het onmogelijk het beeld van iets onbegrensds vast te houden: ons, zoals Funes de allesonthouder, een object voor te stellen met een oneindig aantal details of een object dat continu transformaties doormaakt. Slechts weinigen zullen het moeilijk vinden een grafiek in kaart te brengen, laat staan om uit het hoofd een schets van een huis te maken. We hebben de abstracte plattegrond nodig, de beknoptheid van de twee dimensies, om ons op ons gemak te voelen, om mogelijke routes aan te geven en weer door te strepen, om reisplannen te maken, trajecten te schrappen. Een kaart is, net als speelgoed, een portie van de wereld, op maat gemaakt voor het oog en de hand. Landkaarten, de vaste overlappingen van een wereld die constant in beweging is, zijn gemaakt op de schaal van je voorstellingsvermogen: 1 cm = 1 km. 

río hondo

De kaartencollectie van Mexico-Stad bevindt zich sinds enkele jaren in het gebouw van de Nationale Meteorologische Dienst. Je zou denken dat de plek waar kaarten bewaard, gecategoriseerd en gerestaureerd worden, een min of meer geordende ruimteverdeling heeft. Maar dat is niet het geval. Het blijkt een hele opgave om erachter te komen waar in de collectie je je precies bevindt en, al is de locatie klein, het is onmogelijk je te oriënteren ten opzichte van de ingang of ten opzichte van een centraal punt, als dat er al was. Zodra je de kamer betreedt waar vroeger de restauraties plaatsvonden, weet je al niet meer waar de hal met de cartografische instrumenten te vinden is; zodra je in de kleine ruimte met de kaarten uit het Porfiriaat bent, ben je al de locatie van de Noord-Amerikaanse kaarten vergeten.

In de lange, nauwe gangen hangen kaarten als eeuwig natte lakens, in de schaduw van de eeuwen en in de relatieve beschutting van jaren aan bureaucratie. Om ze te mogen zien moet je een mondkapje en chirurgenhandschoenen gebruiken. De assistenten – geschiedenis- of geografiestudenten, die niet kunnen wachten tot hun stage afgelopen is – helpen de bezoeker de kaarten voorzichtig omlaag te halen en ze vervolgens over een van de grote tafels dicht bij de ingang uit te leggen. Vierhanden zijn nodig om de grote vellen te verplaatsen: zowel de jaren als het stof wegen zwaar op het papier.

Stof trekt stof aan. Waarschijnlijk bestaat hier een wetenschappelijke verklaring voor, maar ik ken haar niet. In de kaartencollectie hoopt zich alle stof op uit de Vallei van Mexico, alsof dit zijn bestemming, zijn natuurlijke habitat is. Als het klopt wat Joseph Brodsky zegt – ‘stof is het vlees van de tijd’ –, dan is de kaartencollectie de plek waar de tijd van deze stad bewaard en gerestaureerd wordt.

De gangen van de kaartencollectie komen uit in kleine kamertjes waar kaarten gecategoriseerd zijn op geografische regio of op historische periode. De sectie van het Porfiriaat (1876-1910) is uiteraard het meest geordend en het best verzorgd: aan ten minste één periode uit de Mexicaanse geschiedenis hebben we een positieve indruk overgehouden. De directeur liet me hier twee boeken zien van guliveriaanse omvang – op zijn minst anderhalve meter hoog bij een meter breed –, waarin de grens van Mexico en Guatemala tot in het kleinste detail opgetekend is. Aanvankelijk nam mijn opwinding dezelfde proporties aan als het formaat van de boeken, vooral toen de directeur ze uit de zware dozen nam: mahoniehouten sarcofagen waarin de boeken bewaard worden, beschermd tegen stof en licht.

Het is bekend dat ons abstractievermogen groter is dan het vermogen ons het concrete in gedetailleerde vorm voor te stellen

Maar de twee boekdelen die verslag doen van het afbakenen van de grens tussen Mexico en Guatemala blijken na een eerste blik teleurstellend repetitief: één wit vlak dat pagina’s lang doorloopt, doorkruist door een blauwe strook, die de ene keer de Suchiate-rivier voorstelt en de andere keer de Usumacinta, met enkele onbegrijpelijke bijschriften die ongetwijfeld overeenkomen met het aantal passen dat de leden van de Mexicaanse Commissie voor Begrenzingen (een betere naam voor een commissie bestaat er niet) langs de oever namen. Deze grote leegte is kennelijk het bewijs van de lijn die het ene land van het andere scheidt, en die bij het grensverdrag van 1882 voor het eerst werd opgetekend.

Waar de tekeningen falen, spreken de foto’s boekdelen: de foto’s van de leden van de Mexicaanse Commissie voor Begrenzingen, geplakt op het omslag van het eerste deel. De mannen op de individuele portretten lijken allemaal op Porfirio Díaz, de een wat lieflijker, de ander iets minder verzorgd, maar allemaal even ernstig, bewust wellicht van het belang van hun aanstelling, van het vaststellen van de grenzen van een land.

Slechts één foto toont de begeestering die je voor je ziet als je aan cartografen denkt. Erop staan de acht leden van de Mexicaanse Commissie voor Begrenzingen zoals de acht artsen van De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp, gebogen over een kaart met cartografische dissectie-instrumenten, rondom een tafel die niet veel verschilt van de tafels die nu bij de ingang van de kaartencollectie staan of waarop pathologen stoffelijke overschotten ontleden. De foto is bijna een kopie van het schilderij van Rembrandt: de professor, met de autoriteit die het ontleedmes hem geeft, staat over de patiënt geleund; de patiënt, dood, hopeloos passief, onderworpen aan de diagnose van de specialist; de leerlingen, die naar alle kanten kijken behalve in de richting van de patiënt en die luisteren – sommige verbaasd, andere ontdaan, weer andere afgeleid – naar wat de professor te zeggen heeft. Net zo staan de cartografen van de commissie erbij, geleund over de kaart van Mexico; het land een kadaver, wachtend op een diagnose.

In feite doen een patholoog-anatoom en een cartograaf hetzelfde: ze stellen enigszins arbitraire grenzen vast bij een lichaam dat zich in beginsel verzet tegen al te duidelijke afbakeningen, tegen al te exacte definities en begrenzingen. (Hoe zou een arts kunnen weten waar exact de tong eindigt en de farynx begint?) Twee van de commissieleden liggen op tafel. Een van hen glimlacht steels, medeplichtig aan een ontdekking of aan willekeur: hier Mexico, daar Guatemala.

Toen ik de directeur vroeg naar de kaarten van de planificatie van Mexico-Stad, verontschuldigde hij zich en zei dat die niet bestonden. De legende gaat dat een zekere Alonso García Bravo het raster van de stad rechtstreeks op de grond tekende. Er bestaan uiteraard kaarten van de stad in de zestiende eeuw, maar er ging geen kaart vooraf aan de planificatie van het gridpatroon van het historisch centrum. De bescheiden Spaanse soldaat García Bravo, ‘geholpen door de vindingrijkheid, de ervaring en de wijsheid van de Azteken’ – zoals zijn gedenkplaat zegt, verborgen tussen de zeildoeken van de straatverkopers op een plein in La Merced –, maakte enkele groeven in de natte aarde van de vallei zoals die er in 1522 bij lag en werd zo de eerste stedenbouwkundige van de grote hoofdstad van Nieuw-Spanje. Het zou me niet verbazen als het zo gegaan is. Alle inwoners van Mexico-Stad weten dat als er eens een groef gemaakt is voor de stad die waarschijnlijk eerder een aanwijzing was, en dat wat de stedenbouwkundigen nu ‘stadsplanificatie’ noemen pure nostalgie voor de toekomst is. In elk geval heeft Mexico-Stad zijn eigen plattegrond gevormd. We bewonen, zoals de afstammelingen van het Rijk dat Borges beschreef, ‘de ruïnes van een uiteengevallen kaart’.

río magdalena

Bij het landen in Mexico-Stad krijg ik altijd een soort omgekeerde hoogtevrees. Zodra het vliegtuig de landingsbaan nadert en de stoeltjes een beetje beginnen te trillen, wanneer de atheïsten een kruis slaan en de stewardess een laatste rondgang maakt over het gewichtloze gangpad, begin ik een kracht te voelen die me omhoog duwt, alsof de zwaartekracht de andere kant op werkt of alsof mijn lichaam en de landingsbaan elkaar afstotende magneten zijn. Iets in mij biedt weerstand.

In een vliegtuig zullen maar weinig mensen zich bewust zijn van de concrete fysieke krachten die er tijdens een vlucht werkzaam zijn. De commerciële vliegtuigen, met hun piepkleine raampjes en onbeweegbare stoelen, waarin dikke mensen, slapelozen, kinderen met aandachtsgebrek en hysterica’s zich genesteld hebben, zijn het tegenovergestelde van wat de mens voor zich zag toen hij wilde vliegen als een vogel. Zelfs genieten van het immense landschap dat het vliegtuig omgeeft wordt ons niet toegestaan: juist wanneer er iets te zien is zal de stewardess vragen om het plastic luikje neer te laten. Alleen als we het luikje weer openen, in een rebelse reactie op de dictatuur van de stewardessen, zien we daar, ver beneden ons, de wereld liggen en begrijpen we waar we ons bevinden. Van bovenaf is de wereld immens maar vriendelijk, alsof hij zelf een kaart is, een beeld dat eenvoudiger en makkelijker te bevatten is.

río chico de los remedios

Over Mexico-Stad schrijven is een onderneming die gedoemd is te mislukken. Los daarvan dacht ik lange tijd dat wie over onze hoofdstad wilde schrijven de traditie moest respecteren: dat ik net als Walter Benjamin een connaisseuse moest worden van de stoep, een botanica van de stedelijke flora, een amateurarcheologe van de gevels uit het centrum en van de spectaculaire reclameborden langs de ringweg om de stad. Ik heb geprobeerd als een petit Baudelaire door Copilco te slenteren: maar het is onmogelijk ook maar één regel te schrijven over Hoofdweg 10. Zou het de schuld kunnen zijn van Copilco? Ik hoorde ooit iemand zeggen dat de naam Copilco uit het Nahuatl komt, en ‘het oord der kopieën’ betekent. Na herhaalde wandelingen door de buurt ben ik tot de conclusie gekomen dat dat, en ik weet zeker dat ik me niet vergis, het enige is wat je over deze afgrijselijke stadsbuurt kunt zeggen, dat ziekelijke aanhangsel van de Universidad Nacional, waar massaal bibliotheekboeken worden gereproduceerd à tien centavo per pagina. Misschien is het inderdaad wel de schuld van Copilco.

De hoge torens, de tempels en de gebouwen die midden in het water stonden, allemaal waren ze even oogverblindend

Maar ook de romaneske Calle de Donceles, in het historisch centrum, suggereert iets meer dan een slappe herinnering aan je eerste lezing van Carlos Fuentes’ Aura of van het werk van de een of andere viscerale realistische schooier. Quevedo’s verzen geven commentaar en begrip, bijna geen troost:

Ach Pelgrim! Zoek je in Rome naar Rome,

in Rome zelf zul je het ware Rome niet vinden.

río ameca

Waar lijkt Mexico-Stad eigenlijk op? Ik kan meegaan in de gelijkenis tussen Italië en de laars, tussen Chili en een Spaanse peper, zelfs in die tussen Manhattan en een fallus. Maar ik begrijp dan weer niet waarom het silhouet van Venetië vergeleken wordt met een vis.

Als je er een gedetailleerde kaart op naslaat, zou Venetië kunnen lijken op het fossiel van een schelpdier uit het Paleozoïcum. Maar zelfs daarvoor heb je een formidabel voorstellingsvermogen nodig. Ook Pasternaks vergelijking van de stad met een natte pretzel is niet heel overtuigend:

Aan mijn voeten baadt Venetië in het water,

Een natte, uit steen opgetrokken pretzel.

Nadat ik de kaart van het eiland urenlang in Maps of Venice bestudeerd heb, kan ik dit bevestigen: meer dan op wat ook lijkt Venetië op de fragmenten van een gebroken knie.

Ik ontken niet dat dit beeld, zoals alle vergelijkingen, bedrieglijk is, omdat er vanaf het begin naar een voorbestemd beeld wordt gezocht, dat tegelijkertijd ontkend wordt om het overtuigender over te laten komen. Maar sommige dingen – een gebied, een kaart – zijn niet in één blik te vangen, en soms is het nodig een gelijkenis te bedenken – schuin invallend licht dat erin slaagt het vliegensvlugge object te vangen – om voor een ogenblik het beeld dat aan het oog ontsnapt scherp te stellen. Venetië, een knie: en in de omhelzing van de drie botfragmenten een bepaalde helderheid. Maar waar lijkt de kaart van Mexico-Stad eigenlijk op?

río de la colmena

Het blijkt vandaag de dag onmogelijk voor je te zien wat Bernal Díaz del Castillo zag toen de Spaanse troepen langs de route van Iztapalapa naar het eiland van Temistitán trokken: ‘Toen we die lange, rechte weg voor ons zagen, vroegen we ons af hoe het kon dat die zich in Mexico bevond. We waren verbluft en zeiden dat hij leek op een van die magische dingen uit het boek van Amadís; de hoge torens, de tempels en de gebouwen die midden in het water stonden, allemaal waren ze even oogverblindend.’ Vandaag de dag is het onmogelijk dat iemand de stad met iets zo romanesk zou vergelijken. Mexico-Stad mist referentiepunten; en geen vergelijking doet de stad helemaal recht. Het heeft iets paradoxaals dat Mexico-Stad, een stad die in tegenstelling tot Berlijn, Parijs en New York een duidelijk afgetekend centrum heeft, elke mogelijke structuur is kwijtgeraakt en zich niet om dat centrum heeft geordend. Of misschien was het wel het vertrouwen dat het centrum uitstraalde naar de rest van de stad dat het in staat stelde ongelimiteerd te groeien, tot de stad alle contouren verloren had, tot ze zich zelfs tot buiten de grenzen van de Vallei van Mexico uitstrekte.

río de la piedad (viaduct)

De oudste kaarten van Mexico-Stad die we kennen, zijn de kaarten die in Neurenberg (uit 1542) en in Uppsala (uit 1555) bewaard worden. (Hoe ze in Duitsland en Zweden zijn terechtgekomen is een raadsel.) Ze bestaan uit slechts enkele lijnen – de hoofdstraten, grote uitgestrekte rechthoeken, en een paar verstrooide huizen, boten en vissen. Het is moeilijk te zeggen waar het noorden en waar het zuiden ligt, dat maakt weinig verschil; de kaarten zijn transparant op hun eigen manier, simpel (maar niet eenvoudig) als haiku’s. Wie aandachtig kijkt, ziet dat de eerste kaarten van Mexico-Stad slechts cartesiaanse reducties zijn van de ruimte, diagrammen opgelegd aan een territorium dat voor het overgrote deel alleen uit water bestond.

In die tijd leek de stad nog ergens op: ‘Midden in het zoute meer is de metropolis gaan zitten, als een immense stenen bloem,’ schrijft Alfonso Reyes in zijn boek Visión de Anahuac. Op de Neurenbergse kaart lijkt de stad een perfecte schedel, half-elliptisch, ondergedompeld in een grote teil. Op de kaart van Uppsala is de stad net een hart op sterk water. Ze roept de verzen van Apollinaire op:

De ernstige stad met zijn haantje de windrichter

Boven de verstolde chaos van al zijn daken

Lijkt op het verstolde hart, maar dan anders,

van de dichter

In schrille verduizeling verkeerd over onzinnige 

zaken

De jongste kaart die er van Mexico-Stad gemaakt is (Guía Roji, 2008), lijkt op niets – alleen maar op een vlek, zonder enige gelijkenis met iets anders. Fabio Morábito schrijft in een essay over de Spree in Berlijn: ‘Een rivier neemt gewoonlijk het uiterlijk aan van de stad die zij doorkruist, en ze remt haar vrijmoedigheid door haar steeds weer haar eigen gezicht te tonen; zonder rivier, of zonder gezicht, is een stad overgeleverd aan zichzelf en kan, zoals Mexico-Stad gebeurd is, eindigen als een vlek.’ Misschien heeft Morábito wel gelijk; misschien is alles te herleiden tot een hydraulisch probleem.

’s Nachts krijgt de vallei haar vloeibaar verleden terug, als een meer boordevol vissersbootjes.

Er zijn mensen die zeggen dat deze stad een Grote Peer is – als een vreemde variant op The Big Apple; het brede gedeelte van de vrucht in het zuiden en het steeltje dat aan de tak vastzit op de plek waar zich de Basiliek van Guadalupe bevindt, in het District Gustavo A. Madero. Je hoeft maar een korte blik erop te werpen om te zien dat het vruchtvlees zich veel verder uitstrekt dan zou moeten. Zoals een van die omtrekken die op de plaats van een misdaad met een krijtje zijn aangegeven, waardoor het resultaat een stap verder gaat dan de intentie van het silhouet: op asfalt gevallen peer.

Wallace Stevens schrijft:

De peren zijn geen viola’s,

Naakten of flessen.

Ze lijken nergens op.

río santo desierto-mixcoac

Het is totaal onmogelijk een veelomvattend idee uit Mexico-Stad te putten door er simpelweg rond te slenteren. De eenzame wandelingen van Rousseau, het rondzwerven van Walser of Baudelaire, de Bildergänge van Kracauer en de flâneries van Benjamin waren een manier om de nieuwe structuur van de moderne stad te begrijpen en schetsen. Maar de inwoners van Mexico-Stad wordt de miniatuurblik of het vogelperspectief niet gegund, omdat elk referentiepunt in de stad ontbreekt. Op een gegeven moment verdween het besef van een centrum of gewrichtsas voorgoed.

Het is een cliché: Mexico-Stad moet van bovenaf gezien worden. Ik heb het geprobeerd, maar de tweede verdieping van de ringweg biedt alleen maar een gelegenheid om even aan het oppervlak, aan onze dagelijkse verstikking te ontsnappen. Nog hoger boven de stad: wie over de stad vliegt kan haar weer observeren. ’s Nachts, en van grote hoogte gezien, krijgt de vallei haar vloeibaar verleden terug, als een meer boordevol vissersbootjes. Ook op een heldere dag is Mexico-Stad gezien vanuit een vliegtuigraampje bijna te bevatten – in de meest eenvoudige vorm van zichzelf, op de schaal die bij de menselijke verbeeldingskracht aansluit. Maar hoe meer het vliegtuig de aarde nadert, hoe meer je zult ontdekken dat het gridpatroon lijkt te drijven op een onbepaalde hoeveelheid uitgestrekte, grijze meren. De hellingen van de vallei brengen het gevaar mee van een kwikgolf die onophoudelijk tegen de bergketens slaat; de straten en de lanen, versteende plooien in een overvol spookmeer.

río tacubaya

Het komt geregeld voor dat er passagiers huilen wanneer een vliegtuig opstijgt – de reiziger heeft net afscheid genomen en bij het omdoen van de veiligheidsriem voelt hij een laatste schok van zijn persoonlijke aardverschuiving –, maar ik kan me voorstellen dat het ongebruikelijk is dat dit schouwspel zich voordoet wanneer het vliegtuig uiteindelijk landt. Ik heb enkele keren moeten huilen toen ik aankwam in Mexico-Stad. Zodra ik het Nabor Carrillo zie – dat onmogelijke, perfect vierkante meer – stort ik in; het is niet zo dat ik in huilen uitbarst, er ontsnappen me slechts een paar tranen. Ongetwijfeld is deze pathetische scène meer dan eens aanleiding geweest voor oprechte troostgevoelens van de reizigers die naast me in de rij zaten (ocharme, zullen ze gedacht hebben, dat arme kind moet wel erg ongelukkig zijn). Maar ik kan jullie verzekeren dat dit ridicule gejammer dat aan me ontsnapt niets te maken heeft met me ongelukkig voelen. Lange tijd schreef ik de tranen toe aan uitputting: ze waren de neerslag van vermoeidheid en verveling. Maar mettertijd ben ik gaan geloven dat het eerder een simpel nat antwoord is op de aardse aangelegenheid van het landen in dit grote verlaten meer; een simpele weerstand tegen de val in een toekomstwereld die, terwijl je nadert, immens groot wordt, of zoals Galway Kinnell schrijft, onmetelijk groot:

… al die kleine denkers met allemaal dezelfde 

gedachten

over landen in een onmetelijke wereld

brengt het transcontinentale lijnvliegtuig thuis

terwijl hij zijn enorme gewicht in bedwang houdt,

en nietig bijna

de plek nadert waar

met plotse, kleine witte wolkjes en lange, zwarte

rubbervegen

al zijn banden de thuisgrond kennen.

Het werk van Valeria Luiselli (Mexico-Stad, 1983) is in meer dan 30 talen vertaald. Bij Das Mag verschenen eerder Vertel me het einde, De gewichtlozen en de roman Archief van verloren kinderen, die meerdere prijzen won en werd genomineerd voor de Booker Prize. Ter ere van het 15-jarig jubileum van het boek, verschijnt in augustus een nieuwe editie van Luiselli’s debuut Valse papieren.

DASMAG Valeria Papieren VP HR

You May Also Like

More From Author