
Een oorlog die blijft slepen, een politieke orde die kraakt en een langzaam op gang komende econo- mie. De Russische agressie blijft een test voor veiligheid en energie. Tegelijk verschuiven de fundamenten van de EU door de opmars van radicaal rechts, economische heroriëntatie en het terugkruipen van het VK richting Brussel.
Rusland: vastgelopen oorlog, groeiende dreiging
Militair gezien heeft Rusland in Oekraïne minder bereikt dan Vladimir Poetin in 2022 voor ogen had. Na een eerste opmars is er sinds eind 2022 maar weinig extra Oekraïens grondgebied veroverd, tegen de prijs van honderdduizenden gesneuvelde soldaten en een economie die zucht onder oorlogslasten en sancties. Juist omdat een duidelijke overwinning uitblijft, verschuift Poetin zijn strijd naar de rest van Europa. Cyberaanvallen, sabotage en mysterieuze incidenten rond infrastructuur nemen toe. Russische drones dwingen luchthavens in Polen, Duitsland en Denemarken tot tijdelijke sluiting; de Baltische staten oefenen massale evacuaties voor het geval het misgaat. Hoe onveiliger Europeanen zich voelen, hoe groter de kans dat zij hun geld en aandacht verschuiven van steun aan Kyiv naar eigen herbewapening.
Waar westerse regeringen de oorlog nog altijd als een crisis zien die uiteindelijk ‘opgelost’ moet worden, behandelt Poetin het concept als een permanent kader: een langdurige machtsstrijd met de VS en Europa, bedoeld om het bestaande veiligheidsstelsel te ondermijnen.
Democratie: AfD en Hongarije als testgevallen
In Duitsland draait 2026 om de vraag of de radicaal-rechtse AfD het tot nu toe hermetisch gesloten cordon sanitaire – de Brandmauer – weet te doorbreken. De partij werd in 2025 al de op een na grootste van het land en domineert de peilingen in Oost-Duitsland. Als de AfD bij de komende deelstaatverkiezingen een absolute meerderheid behaalt, opent dat voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog een reële route naar regeringsmacht voor radicaal rechts. Blijft ze net onder de 50 procent, dan zal ze lokale CDU’ers onder druk zetten om toch samen te werken. Elke barst in de Brandmauer zou een politieke aardbeving veroorzaken – en een signaal afgeven aan gelijkgestemde partijen in Europa.
Viktor Orbán, architect van de ‘illiberale democratie’, staat in het voorjaar opnieuw voor de kiezer. Na jaren waarin hij de rechtsstaat, de media en de Europese besluitvorming naar zijn hand zette, lijkt zijn machtspositie voor het eerst echt wankel. In de peilingen ligt zijn partij Fidesz achter op Tisza, de beweging rond Péter Magyar – zelf een Fidesz-overloper uit Orbáns inner circle.
Voor Brussel is de inzet helder: een nederlaag van Orbán zou niet alleen de interne EU-besluitvorming vergemakkelijken, maar ook laten zien dat een uitgeholde democratie via verkiezingen nog kan kantelen. Voor aanhangers van ‘sterke mannen’ wereldwijd, van de MAGA-beweging in de VS tot populisten in
Oost-Europa, wordt Hongarije daarmee een casestudy.
Economie: voorzichtige vooruitgang
Op economisch vlak is het Europese verhaal minder somber dan enkele jaren geleden, maar zeker niet zorgeloos. Het oude model – Amerikaanse veiligheidsgarantie, Chinese vraag, goedkope Russische energie en een soepele wereldhandel – is in rap tempo geërodeerd. Tegelijk vergrijst de bevolking en groeit de politieke druk om migratie juist in te perken.
De naweeën van corona werken nu eerder mee dan tegen: lonen stijgen al langer sneller dan de inflatie en huishoudens hebben extra spaargeld opgebouwd. Nu de onzekerheid afneemt, zullen consumenten meer uitgeven, terwijl stabiele of dalende rentes bedrijven ruimte geven om te investeren, vooral in grote projecten zoals hernieuwbare energie en netverzwaring.
Defensie is onverwacht een groeisector geworden. De oorlog in Oekraïne en twijfel aan Amerika’s betrouwbaarheid hebben geleid tot een Europese herbewapeningsgolf: Duitsland versoepelde zijn begrotingsregels, de EU zoekt manieren om Russische tegoeden te benutten en fabrieken schakelen over op militaire productie. De sector kan honderdduizenden banen creëren. Maar die opleving heeft een prijs: begrotingstekorten lopen op, vooral in Frankrijk, en ook Italië en Spanje leunen op herstelfondsen en soepelere regels. Hoelang markten en kiezers dit zullen accepteren is onzeker – vooral nu er ook meer geld nodig is voor klimaat, sociale voorzieningen en migratie.
Brexit 2.0
In 2026 is het tien jaar geleden dat de Britten bij referendum voor vertrek uit de EU kozen en wordt bovendien het handels- en samenwerkingsakkoord van Boris Johnson formeel herzien.
De economische schade van brexit – handelsbarrières, zwakkere groei, minder export – wordt inmiddels breed erkend, en een stabiele meerderheid van de Britten noemt het een vergissing. Maar terugkeren is moeilijk: het VK zou een nieuwe lidmaatschapsaanvraag moeten indienen, zonder te kunnen rekenen op vroegere uitzonderingsbepalingen, de EU is zelf ingrijpend veranderd en niemand in Londen wil dit trauma opnieuw beleven.
Daarom kiest de regering-Starmer voor stille, technische toenadering: stap voor stap worden non-tarifaire handelsbarrières verminderd via afstemming op EU-regels voor voedsel, energie en milieu, voortbouwend op het door Sunak herziene Noord-Ierland-protocol. Geopolitieke druk – Rusland, Trump, het Midden-Oosten – duwt beide kanten richting nauwere samenwerking, vooral op het gebied van defensie en veiligheid. En omdat de angst voor een domino-effect is verdwenen, staat de EU meer open voor flexibele, Zwitserlandachtige vormen van gedeeltelijke integratie.
Op termijn kan zo een gelaagd Europa ontstaan, waarin ook het VK opnieuw een plek vindt. Niet als lidstaat, maar als nauwe partner binnen een breder samenwerkingsverband.
Project Europa staat niet stil
Wat de ontwikkelingen gemeen hebben, is dat ze Europa dwingen zijn politieke en institutionele vorm te herzien: van veiligheidsarchitectuur tot begrotingsregels, van uitbreidingslogica tot de omgang met ex-leden. Of 2026 een jaar van echte doorbraken wordt, valt nog te bezien. Duidelijk is dat het Europese project niet stilstaat en dat de landen eerder naar elkaar toe dan uit elkaar bewegen.
De Noordpool als geopolitieke zone
In 2026 wordt de Noordpool sneller dan ooit onderdeel van de wereldeconomie.
Waar het gebied lange tijd een afgelegen sneeuwbal was, groeit het nu uit tot een knooppunt van scheepvaart, grondstoffenwinning en geopolitieke concurrentie. De zich steeds verder terugtrekkende ijskap – in september 2025 39 procent kleiner dan in 1980 – maakt het mogelijk om langer en verder te varen in Arctische wateren. Tankers, vrachtschepen, onderzoeksvaartuigen en zelfs cruiseschepen zullen in het voorjaar van 2026 in grotere aantallen verschijnen zodra het ijs breekt.
Maar minder ijs betekent niet per se minder risico: drijvend ijs is onvoorspelbaar, kustlijnen lijden onder stormen en stijgende zeeën, en smeltende permafrost ondermijnt gebouwen en pijpleidingen. De Arctische economie is dan ook extreem afhankelijk van prijzen, verzekeringen en van de politiek.
Een beëindiging van de oorlog in Oekraïne zou Russische Arctische projecten opnieuw openstellen voor westers kapitaal. Maar zolang er sancties gelden, zal Rusland zich blijven richten op China, dat nu al de grootste afnemer is van Arctische olie, gas en mineralen. De VS trekken intussen hun eigen plan: de regering-Trump wil Alaska’s olie-export verdubbelen, al zijn de kosten van nieuwe pijpleidingen astronomisch.
Op zee wordt de Northern Sea Route (NSR) – langs de Russische kust – het belangrijkste experiment van 2026. Door de onveiligheid in de Rode Zee is de belangstelling voor deze kortere route groter geworden, al blijft hij seizoensgebonden en politiek gevoelig. Een Chinese containerdienst voer in 2025 voor het eerst rechtstreeks via de NSR naar Groot-Brittannië; Zuid-Korea test de route in 2026.
Ook strategische grondstoffen spelen een grotere rol. China’s exportbeperkingen op zeldzame aardmetalen vergroten de waarde van Arctische voorraden, wat weer de Amerikaanse interesse in Groenland verklaart. Ondertussen breidt Alaska de haven van Nome uit tot de eerste diepwaterhaven dicht bij de Beringstraat: een infrastructuurverschuiving die de regio definitief in de mondiale economie trekt.