Het tegenovergestelde van het tegenovergestelde van eenzaamheid

Estimated read time 9 min read
DOS Universiteit

Een afscheidstoespraak voor mensen die zich tijdens hun studententijd ellendig hebben gevoeld.

Het voelt vreemd om met zo’n ​​naam te komen, met zo’n droevig verhaal om een ​​essay in te kaderen [de titel verwijst naar ‘The opposite of loneliness’ van Marina Keegan, zie het kader hieronder]. Gebruik je daar de doden voor? Dat is niet mijn bedoeling. Ik wil dat het over Marina Keegan en haar boodschap gaat, die veel mensen heeft geraakt. Keegan sprak over het gevoel van verbondenheid en de mogelijkheden die hun prachtige oude onderwijsinstelling haar en haar medestudenten had geboden, en hoe ze dit gevoel na hun vertrek met zich mee konden dragen. Maar ik wil me richten tot de eenzame, betreurenswaardige mensen die dit gevoel nooit hebben ervaren – laat staan ​​dat ze zich zorgen hebben gemaakt over het verliezen ervan.

‘Het is niet gewoon liefde of een gemeenschap; het is het gevoel dat er mensen zijn, heel veel mensen, die hetzelfde als jij beleven. Die aan jouw kant staan. Wanneer de rekening betaald is en je aan tafel blijft zitten. Wanneer het vier uur ’s nachts is en niemand naar bed gaat. Die nacht met de gitaar. Die nacht die we ons niet meer kunnen herinneren. Die keer dat we gingen, zagen, lachten, voelden. De hoeden.’

Dit is Marina Keegans weergave van het gevoel dat het tegenovergestelde is van eenzaamheid. Het tegenovergestelde van eenzaamheid is iets diffuus, als een net: de onderlinge verbondenheid van mensenlevens en het gevoel dat je daar onlosmakelijk deel van uitmaakt – dát is wat het zo bijzonder maakt. Je voelt het tegenovergestelde van eenzaamheid door al die mooie herinneringen die je met je vrienden maakt, maar ook omdat het creëren van zulke herinneringen op zichzelf een grotere onderneming is waar jij, je vrienden en alle andere mensen deel van uitmaken. Het tegenovergestelde van eenzaamheid is de intensiteit van deze ervaring; het intense gevoel dat je leeft, samen met al die anderen om je heen.

Het is dan ook geen wonder dat het essay na de dood van Marina Keegan, op 22-jarige leeftijd, zo geliefd werd onder studenten wereldwijd. De meeste mensen zien de universiteit immers als een keurig afgebakende periode van vier jaar in iemands leven, min of meer opzichzelfstaand, bedoeld om uit te vinden wie je bent en wat je met de rest van je leven wilt doen. Het gevoel van kameraadschap is daarom heel herkenbaar voor studenten; ze beseffen allemaal – en krijgen steeds weer te horen dat ze dit moeten beseffen – dat ze zich samen in een heel bijzondere situatie bevinden, in een heel bijzondere periode van hun leven. Maria’s lofzang op dit gevoel moest deze studenten toch wel aanspreken en diep raken?

Koude rilling

Ook ik wil me tot studenten richten, en eigenlijk tot iedereen die het wil horen, maar ik wil me daarbij vooral richten tot een specifieke groep studenten die, vermoed ik, geen flauw benul heeft van waar Keegan het over heeft. Of om het preciezer te zeggen: ze denken maar al te goed te weten waar Keegan het over heeft, en precies daarom voelen ze een koude rilling over hun lijf lopen bij het lezen van haar woorden.

Dit zijn de mensen die op de middelbare school, om uiteenlopende redenen, altijd direct naar huis gingen als de bel ging, thuis achter de computer gingen zitten en daar bleven tot ze naar bed gingen, omdat niemand ze ooit ergens bij betrok en zij ook niemand ergens bij betrokken. Ik vermoed dat ze zich het grootste deel van hun leven een beetje als homunculi hebben gevoeld, als lichamen zonder ziel; alsof ze er wel menselijk uitzien en menselijk klinken, maar niet over de instinctieve hersenfuncties beschikken die andere, echte mensen klaarblijkelijk wel bezitten. Leuke dingen opzoeken en plezier hebben is iets waar echte mensen zo goed in zijn dat ze juist moeten oppassen dat ze het niet te vaak doen. Voor de mensen tot wie ik mij richt is leuke dingen opzoeken en plezier hebben (buiten het solipsisme van een computer of een tv) net zo eenvoudig als het stil houden van knikkers op een glazen plaat.

En dan gaan ze naar de universiteit. Sommigen wonen in een studentenflat; anderen, de ware verdoemden, pendelen. In beide gevallen zullen deze mensen zich terdege pijnlijk bewust zijn van wat er op het spel staat: dit is de universiteit. De universiteit, wat een plek die wel niet inneemt in onze collectieve verbeelding: zo veel gesprekken, zo veel onderschriften en artikelen op Instagram, zo veel foto’s en video’s, reclamecampagnes, films en tv-programma’s, grappen, clichés, tweets, memes en nog eens tweets over wat een vreemde, opwindende ervaring het studentenleven is. 

Als je studententijd een drijfzandbak vol wanhoop was …

God behoede je als je nooit een keer om vier uur ’s nachts met vrienden in een huiskamer hebt gezeten, geen leuke gitaaravonden hebt meegemaakt, geen goeie black-out; God behoede je als er nooit een hoed aan te pas is gekomen. En als er geen hoeden waren, zullen er ook nooit hoeden zijn – die hoeden kun je nu niet meer krijgen, want het is voorbij. Wat een afschuwelijk gevoel moet deze mensen wel niet overvallen als de diploma-uitreiking nadert en ze beseffen dat het hoofdstuk ten einde loopt, dat het verhaal verdergaat, opnieuw.

Keegan schrijft hierover: ‘Er is een gevoel dat ik soms bespeur, dat in ons collectieve bewustzijn sluipt als we in bed liggen na een feestje, of ons boek dichtslaan en toegeven aan de verleiding om uit te gaan – dat het op de een of andere manier te laat is. Dat anderen ons voor zijn: meer bereikt, meer gespecialiseerd. Verder op weg om de wereld te redden, om iets te creëren, uit te vinden of te verbeteren. Dat het nu te laat is om ergens mee te BEGINNEN en dat we genoegen moeten nemen met het voortzetten van ons leven.’

Maar misschien maken deze opmerkingen het alleen maar extra zuur voor de mensen tot wie ik me richt. ‘Zijn dit echt de dingen waar anderen spijt van hebben?’ vragen die zich af. ‘Is de kloof inmiddels zo groot geworden? Ik wilde me gewoon voor het eerst echt een mens voelen, maar in plaats daarvan was het allemaal net zo triest en troosteloos als altijd. En nu zou het dus alleen maar erger moeten worden.’

De vriendschapsindustrie

Volgens journalist Faith Hill van The Atlantic schieten initiatieven om eenzaamheid tegen te gaan vaak hun doel voorbij.
In Amerikaanse steden is de afgelo- pen jaren een ware vriendschapsindustrie ontstaan. Organisaties als Project Gather, Timeleft en Belong Center organiseren diners, potlucks en gesprekskringen om eenzaamheid te bestrijden. Hun belofte is groot: door mensen offline samen te bren- gen zouden sociale isolatie, vervreemding en zelfs mentale gezondheidsproblemen kunnen worden opgelost.
In Hills artikel, met de kop ‘You’ve Probably Already Met Your Next Best Friend’, betoogt ze dat het uitgangspunt van veel van deze start-ups te simpel is. Ze gaan ervan uit dat eenzaamheid vooral ontstaat door een gebrek aan vrienden, en dat de oplossing dus ligt in het ontmoeten van nieuwe mensen. Onderzoek laat echter zien dat eenzaamheid minder samenhangt met het aantal sociale contacten dan met de kwaliteit ervan. Veel mensen voelen zich niet zozeer alleen omdat ze niemand kennen, maar omdat ze zich niet gezien, gehoord of begrepen voelen. De gemiddelde Amerikaan heeft dan ook niet minder vrienden dan eerdere generaties.
Hill verwijst naar onderzoek van Harvard waaruit blijkt dat een groot deel van de mensen die zich eenzaam noemen vooral worstelt met existentiële eenzaamheid, mentale kwetsbaarheid of het gevoel zichzelf niet te kunnen zijn. Vriendschapsexpert Shasta Nelson noemt dit frientimacy: echte nabijheid in vriendschappen, die volgens haar drie ingrediënten vereist – consistentie, positiviteit en kwetsbaarheid. Goede vriendschappen bouwen zich op door tijd, herhaling en gedeelde context. In de Amerikaanse cultuur ontbreekt het aan scripts voor hoe vriendschappen zich ontwikkelen, in tegenstelling tot romantische relaties. Sociale evenementen kunnen geen wooncrisis, lange werktijden, gebrekkige geestelijke gezondheidszorg of het verdwijnen van publieke ontmoetingsplekken compenseren, aldus Hill.

De trieste waarheid is dat het allemaal nog steeds aan je voorbij kan gaan, ongeacht hoe bewust je je daarvan bent. 

Als je studententijd een drijfzandbak vol wanhoop was, moet je dat accepteren en er kracht uit putten, dat is een kwestie van cognitieve herstructurering [het veranderen van negatieve en irrationele gedachten naar realistischere en positievere gedachten]. Een onderdeel van die herstructurering is het begrijpen van Keegans boodschap dat het nog niet te laat is – nergens voor. Het menselijk leven bestaat niet voor 20 procent (het begin) uit plezier en voor 80 procent (de rest van je leven, na je drieëntwintigste) uit zwoegen. Er is nog steeds overal tijd voor.

Afgezien van het veranderen van je denkwijze over dingen die al gebeurd zijn, zou het verstandig zijn om jezelf ‘in te enten’ met een idee zoals dat van [de negentiende-eeuwse Amerikaanse essayist Ralph Waldo] Emerson aan het begin van ‘Self-Reliance’, een essay dat volledig gaat over wat je met de volgende seconde van je leven moet doen:

‘Er komt een moment in ieders leven waarop je tot het besef komt dat afgunst een vorm van onwetendheid is, dat imitatie neerkomt op zelfverloochening, en dat je jezelf – in goede én in slechte tijden – als je eigen lot moet aanvaarden. En dat, hoe vol goedheid het universum ook is, geen enkele voedzame graankorrel je bereikt, tenzij je die zelf oogst op het stukje grond dat jou is toevertrouwd.’

Geluk

Misschien heb je nog nooit het tegenovergestelde gevoel van eenzaamheid ervaren. Misschien heb je je altijd een eiland gevoeld. Dat kan je volledig lamleggen, en ik hoop dat de details in dit essay je ervan overtuigen dat ik uit ervaring weet hoe het is. Ik wil ook dat je me gelooft als ik zeg dat je enige echte keuze is en altijd zal zijn om die verdomde grond te bewerken. Geluk komt niet voort uit nieuwe ervaringen of uit jeugdig hedonisme. Geluk is iets wat je met veel werk, tijd en aandacht bereikt. Ik denk dat je minder ver op je studiegenoten achterloopt dan je zelf denkt, en ik wens je alle succes.

Marina Keegan (1982 – 2012) was een Amerikaanse auteur en journalist. Ze werd vooral bekend door haar essay ‘The Opposite of Loneliness’, dat na haar overlijden bij een auto-ongeluk viraal ging en ruim 1,4 miljoen keer werd gelezen, in 98 landen. Het ongeval vond plaats terwijl Keegan als passagier onderweg was naar huis, slechts vijf dagen nadat ze magna cum laude was afgestudeerd aan de Yale-universiteit.

You May Also Like

More From Author