
Schrijver en politiek denker Ece Temelkuran schreef een persoonlijk boek over de begrippen ballingschap, migratie en thuis, ‘een begrip dat in de eenentwintigste eeuw totaal nutteloos is’.
Net als bij de valse profeten uit de ‘Hel’ van Dante is zijn hoofd [dat van de balling] voor eeuwig naar achteren gekeerd en lopen zijn tranen, loopt zijn speeksel, tussen zijn schouderbladen omlaag.
Joseph Brodsky, On Grief and Reason
Hamburg, juni 2022
Lieve vreemdeling,
Ik hoop dat je meer doet dan alleen overleven, als dat vandaag de dag tenminste mogelijk is voor wie dan ook. Boven op alle wereldwijde rampen die de westerse media als bijzaak behandelen, verkeert Europa momenteel ook nog eens in oorlog. En daardoor hoor ik veel mensen praten over het gevaar van het fascisme in West-Europa. Dat rotding achtervolgt me overal. Vrienden zeggen zelfs dat ik het met me meesleep.
Ik schrijf je vanuit Hamburg, waar het koud is, bitter koud. Voor het eerst is het weer een gespreksonderwerp in mijn leven. Het is niet de ijskoude midzomer, maar het meedogenloze geweld van de wind. Hij laat je haar verdomme niet met rust en gaat uiteindelijk in je hoofd zitten.
Waarom ben ik hier in godsnaam? Nou, het onomwonden antwoord is: na zes jaar Zagreb, mijn cocon ter grootte vaneen stad, moest ik een halfjaar weg uit Kroatië vanwege enkele stomvervelende kwesties rondom mijn verblijfsvergunning waar ik je niet mee zal vermoeien.
Het plan voor na dat halve jaar is nog steeds vaag, maar het ziet ernaar uit dat ik voorlopig in Duitsland moet blijven, verdreven uit de cocon, terug de echte wereld met andere mensen in. Na zes comfortabele jaren als een nobody in mijn hoofd te hebben geleefd, waarvan de laatste twee in lockdown vanwege de pandemie, ben ik in de omgang met anderen net een te vroeg ontpopte vlinder.
Mensen die elkaar voor het eerst ontmoeten stellen vaak vragen als: ‘En wat doe jij?’, wat betekent: ‘Wie ben jij?’ En binnen de kortste keren is ‘mijn situatie’ dan het gespreksonderwerp.
Mensen die elkaar voor het eerst ontmoeten stellen vaak vragen als: ‘En wat doe jij?’, wat betekent: ‘Wie ben jij?’
Zie je, ik had maar vier vrienden in Zagreb. Ze hadden allemaal de oorlog van de jaren negentig meegemaakt, en daarom namen ze nooit de moeite me stomme vragen te stellen over ‘situaties’. Tussen ons bestond de stilzwijgende overeenkomst om zonder sentimenteel gedoe door te gaan met ons leven, wat mijn bevroren hart goed uitkwam.
Maar nu, in Hamburg, leer ik mensen kennen, en allemaal stellen ze me vragen. In elk geval heb ik het geluk dat een Hamburgse organisatie me benaderde voor een fellowship, net toen ik uit Zagreb weg moest. Al betekent dat wel dat ik hier moet schrijven en nadenken. Ik doe geen van beide. Ik hou me gewoon gedeisd.
De afgelopen zes jaar waren een bikkelharde strijd, ik had voortdurend het idee dat ik aan het klimmen was. En nu, op dit volmaakt vlakke plateau, klamp ik me als een doordraaiende bergbeklimmer uit alle macht vast aan het leven.
Comfort voelt gekmakend onzeker, als iets wat jeukt in je binnenste. Het is alsof ik ben vergeten wat je doet als je niet alleen maar bezig bent met overleven. Wat me zo raakt, denk ik, was dat ik wegging uit Zagreb en voor de tweede keer ontheemd raakte.
Mijn kracht om helemaal opnieuw te beginnen moet zijn uitgeput en ik voel me inmiddels een vervloekt, duister, zwevend ding, een vreemde vogel, apart genomen en uitgezonderd van de zwaartekracht.
Het is alsof ik ben vergeten wat je doet als je niet alleen maar bezig bent met overleven
Het vermoeiendst is nog dat de inwoners telkens dezelfde zin herhalen: ‘Hamburg is de mooiste stad van Duitsland.’ Het probleem is dat het daar niet bij blijft en ze over de meren beginnen: ‘Zijn ze niet prachtig?’ Ik zou dolgraag zeggen: ‘Nee, dat zijn ze niet. Het zijn gewoon bruine modderpoelen!’
Maar ja, als je een vreemdeling bent, moet je je beleefd tevredenstellen met wat de mensen die gesetteld zijn je toewerpen. Feit is dat nieuwe steden voor mij frustrerende speeltjes zijn geworden. Omdat ik weet dat ze me worden afgenomen zodra ik heb uitgevogeld hoe ze werken, veins ik slechts dat ik er belangstelling voor heb.
Laatst stond ik, na het doktersbezoek, aan de oever van zo’n ‘prachtige’ bruine modderpoel. De zon ging onder en ik werd overvallen door een vlaag esprit de l’escalier na mijn diagnose: heimwee.
Waarom had ik niet tegen de dokter gezegd dat het woord ‘heimwee’ passé is, en dat het concept ‘thuis’ in de eenentwintigste eeuw totaal nutteloos is, en dat je thuis voelen sowieso altijd al iets verraderlijk, ergerlijk conservatiefs was, en ik kan toch geen cliché zijn, en dat, nu we het er toch over hebben, aangezien ik uit Istanboel kom, ik bedoel maar, als je zó’n stad achterlaat, een stad zo schitterend dat je haar bij zonsondergang met stom ontzag vergeeft dat ze je de hele dag met huid en haar heeft verslonden, doet elke mindere stad je denken aan lelijke eega’s waarmee mensen getrouwd zijn om niet opnieuw met huid en haar te worden verslonden door de liefde, en dat, en dat…
Maar ineens viel mijn blik per ongeluk zo op de poel dat die er precies zo uitzag als de Bosporus. Ik verstijfde. Voordat ik de vergissing inzag had ik mijn ogen al tot spleetjes geknepen, waardoor het was alsof ik de skyline van Istanboel voor me zag.
En een fractie van een seconde – nee, ik miste thuis niet – was ik terug in mijn oude lichaam, was ik nog niet overmand door die bittere onverschilligheid, dat onvermogen om schoonheid te zien. Ik verlangde ergens naar, maar niet naar een stad. Ik miste wie ik ooit was, dat idee van in mezelf zijn, dat gevoel van compleetheid, echtheid, van kunnen voelen.

Vanaf dat moment ging het bergafwaarts. Ik bezatte me in een kroeg en werd overvallen door een vlaag van waanzin. Ik ging naast een olijfboom op de stoep zitten, leunde met mijn hoofd tegen de stam. Ik praatte wat in mezelf, lachte, huilde misschien zelfs een beetje. Ken je dat? Dat je met je hele wezen gelooft dat alleen de wijsheid van een oude zwerfhond of de compassie van een boom tegenwicht biedt aan alles wat ongezegd is gebleven?
Wat een flauwekul, dacht ik, onze aanwezigheid hier, die van die olijfboom en mij, zo hoog in dat klotenoorden. Twee meiden van rond de Middellandse Zee, wankelend, huiverend, nog steeds verbitterd giechelend.
Olijfbomen in Hamburg hebben langere blaadjes en zijn te hoog voor hun jaren. Na er de afgelopen maanden heel wat te hebben gezien weet ik zeker dat ze op hun tenen hebben leren staan in een wanhopige poging naar het zonlicht te reiken. Voor hun donkergroene, knoestige, dwergachtige weerbarstigheid is een bleke, broze kwetsbaarheid in de plaats gekomen. Ze nemen bizarre vormen aan om het te kunnen volhouden in deze nukkige landen, waar ze zich niet kunnen uitdrukken in hun moedertaal van zon en zout. Ze krijgen te weinig voedsel om tot bloei te komen, waardoor ze, wanneer het seizoen aanbreekt om vrucht te dragen, sprakeloos blijven, als een vrouw die door een miskraam uit het lood is geslagen.
Het zijn geen olijfbomen meer, ze zijn iets heel anders, onherkenbaar, iets wat terugverlangt naar wat het ooit was. Ik omhelsde de broze, jonge olijfboom. Beiden even sprakeloos moeten we eruit hebben gezien als twee gevallen kameraden. Een vreemde vogel en een gemuteerde boom.
Als ik mezelf de vraag stel wie ik ben in dit onbekende oord, bedenk ik dat ik een andere stem moet zien te vinden, een nieuwe
Twee dolende lichamen die hebben geleerd dat hun zenuwen worden doorgesneden wanneer ze ontworteld raken. En zenuwen groeien, anders dan huid, spieren en botten, nooit meer aan. Zijn ze eenmaal doorgesneden, dan verandert een aanraking van het vlees in data, in iets verstandelijks. Er opent zich een verwarrende kloof tussen weten hoe zwaar de aanraking weegt en het lichte gevoel ervan. De aanraking roept in de diepte van het vlees slechts een weerklank van zichzelf op. Na verloop van tijd raak je eraan gewend het besef van de aanraking te koppelen aan hoe die hoort te voelen. Je leert met gepaste vrolijkheid te glimlachen. Je laat je nooit uit over het gevoel dat anderen je koud laten, die bittere onverschilligheid waaruit je geleidelijk gaat bestaan. Weet je wat? Laat die anderen toch zitten. Je weet niet meer hoe je moet voelen en of je eigenlijk nog wel iets voelt.
Daarom had ik zes jaar lang die scheve grijns, dat halfslachtige ding dat doet denken aan een verschrompelde olijftak die al heel lang dood is. Een laagje sarcasme om het medelijden van de mensen die gesetteld zijn mee af te weren. Make-up om de angst te verhullen dat zal blijken wie ik tegenwoordig ben: een automaat die niets voelt, een overlevingsmachine die het ontbreekt aan woorden om uit te drukken wie ze écht is.
Elke keer wanneer ik die grijns tevoorschijn tover, dat gevoel dat ik niet echt leef, komt mijn stem me weerzinwekkend voor, zigzaggend tussen twee versleten clichés: het gejammer van het slachtoffer om het verloren land van herkomst en het cynische geblaas van de overlever naar een toekomst die er niet is. Misschien ken ik die nieuwe, ontheemde versie van mezelf niet, maar ik weet dat dit mijn stem niet kan zijn: dat ben ik niet. Een onhoudbare aarzeling, als een trillende olijfboom, uitgeput van op haar tenen staan. Na de dokterspraktijk weet ik dat ik moet gaan praten. Omdat ik inmiddels bang ben geworden dat ik echt ziek word van niet praten. En als je ontheemd bent, kun je het je niet permitteren om ziek te worden. Als ik mezelf de vraag stel wie ik ben in dit onbekende oord, bedenk ik dat ik een andere stem moet zien te vinden, een nieuwe.

Thuisloos gemaakt
De Turkse schrijver en politiek denker Ece Temelkuran neemt in Nation of Strangers haar eigen ervaring van ’thuisloos worden’ als uitgangspunt. Ze verliet Turkije in 2016 nadat ze hoorde dat ze gearresteerd kon worden wegens kritiek op Erdoğans regime. Sindsdien schrijft ze uitsluitend in het Engels.
In een interview over haar recente boek met The Observer begint Temelkuran als eerste over het woord ‘exile’, dat voor haar een veel te romantische bijklank heeft. ‘Het leent zich te makkelijk voor een verhaal waarin ik een exotische jonkvrouw in nood ben die vlucht voor een tiran en toevlucht vindt in het beschaafde Westen.’ Omdat ze er niet op uit is om ‘mensen zich goed te laten voelen’, terwijl overal politieke branden woeden, kiest ze voor een universelere beschrijving en noemt zichzelf ‘unhomed’ – thuisloos gemaakt. Zelfs wie gewoon thuis op de bank zit kan moreel, politiek en spiritueel zijn thuis verliezen. Het Amerika van Trump, zegt ze, is daar het levende bewijs van.
Over de psychologie van het verlies van thuis is ze concreet en nuchter: het splijt de persoonlijkheid in tweeën, je verdooft jezelf om die breuk te overleven, en je gevoel voor tijd raakt verstoord. Je wacht voortdurend op het moment dat alles weer wordt zoals het was – maar dat moment, stelt Temelkuran onomwonden, gaat niet meer komen. Zelfs in Davos, merkt ze droogjes op, gaven ze dat onlangs eindelijk toe.
Dan is er een andere belangrijke woordkeuze, die van het begrip fascisme, dat ze consequent gebruikt in plaats van omschrijvingen als ‘alt-right’ of ‘extreemrechts’. Volgens haar omzeilen veel mensen die erkenning ‘omdat je er dan ook iets aan moet doen’. Ze beschrijft hoe ze tien jaar lang als een Cassandra rondliep, waarschuwend dat fascisme ook naar het Westen zou komen.
Het boek is opgebouwd als een reeks persoonlijke brieven aan de lezer. Temelkuran wil een fluistering zijn te midden van al het lawaai, een uitnodiging tot een ander soort gesprek: ‘Wat hebben we verloren, en wat voor wereld willen we bouwen?’ Ze pleit voor bescheidenheid én vertrouwen, als tegengif voor het heersende cynisme.
Een van de indringendste scènes in Nation of Strangers is haar ontmoeting met Miquel, een dakloze man die haar zonder omhaal ondervraagt. Die confrontatie laat haar inzien dat ze in twee werelden leefde: die van het intellectuele debat, met zijn eigen vocabulaire, en die van mensen die de harde realiteit van thuisloosheid elke dag voelen. Het verschil? ‘Niemand uit de eerste wereld, behalve misschien Yanis Varoufakis, vroeg me ooit of ik geld had. Wanneer je een immigrant ontmoet, is dat het eerste wat ze vragen.’
Thuis is voor haar inmiddels meer een veilig gezelschap van vrienden dan een plek. In Berlijn, haar huidige woonplaats, verdween bijvoorbeeld iedereen met de kerst.
Temelkuran gebruikt schoonheid als overlevingsstrategie en als moreel kompas. Ze keert zich expliciet tegen de neoliberale definitie van de mens als zelfzuchtig individu dat over anderen heen klimt. ‘Ik zeg precies het tegenovergestelde: we overleven alleen door schoonheid in elkaar te zien, en door samen schoonheid te scheppen.’ Het is, zegt ze, het enige wat ons menselijk houdt wanneer alles instort.
(360 magazine)