Voor nep
‘Spel is ouder dan cultuur,’ begint Huizinga zijn boek Homo ludens (De spelende mens) uit 1938. Ook dieren spelen, ze laten elkaar schrikken, doen alsof ze vechten. Voor nep, zeggen mijn zoontje en zijn vrienden altijd. Voor nep zijn ze ninja’s, draken, pokemons; ze hebben zelfs een keer een hele pauze gespeeld dat ze plakbandjes waren.
Spel is de scheppende kracht, alle menselijke beschaving is opgekomen en heeft zich ontplooid ‘in spel, als spel’. Voor nep doen we of we een rechter, een soldaat, een influencer zijn.
In onze huidige cultuur lijken wij het spelen echter verleerd te zijn. Huizinga schreef het zelf al over de kunsten: ‘Mechanisering, reclame, effectbejag hebben meer vat op haar, omdat zij meer direct voor de markt werkt. In dit alles is het spelelement ver te zoeken.’ Maar inmiddels werken wij allemaal voor de markt. We zetten onszelf in de etalage van sociale media, verkopen onszelf aan de hoogste bieder, streven naar meer, beter en hoger, het is zelden genoeg.
Hoe kunnen wij nog spelen? Is daar nog ruimte voor te vinden? Daarover gaat dit dossier. Vooraf geldt echter wel een waarschuwing. Dat iets spel is, betekent namelijk niet dat het luchtig moet worden opgevat. Spelen is altijd ook sterven, in ieder geval op symbolisch niveau: wie een plakbandje wordt, is geen schooljongen meer.
Volgens mijn vader, Nederlands schaakkampioen J.H. Donner, lag in verliezen de essentie van het spel
En natuurlijk kun je ook altijd verliezen. Volgens mijn vader, Nederlands schaakkampioen J.H. Donner, lag daarin zelfs de essentie van het spel. Het geluk van de winst zag hij als een oppervlakkige emotie: ‘Een grondstemming van welbehagen, waarin alleen nog een zwak knagend gevoel waarneembaar is van “was dat nou alles?”’ Nee, dan de intensiteit van het verlies!
Ik citeer: ‘De schaker die zijn partij verloren heeft. Wie zal hem beschrijven? Ik heb hem gezien, onmachtig zich te bewegen. Het publiek ging reeds heen, de lichten werden gedoofd, en nog zat hij verstard op zijn stoel naar het afgeruimde bord te turen, omdat hij Lg2 had overzien. Een totale verstening, waar de omstanders fluisterend en op hun tenen langslopen. Ik heb hem gehoord, hoe hij in godslasterlijke taal om straf smeekte. Onze woorden van troost wierp hij vér van zich, honend, en hij eiste beledigingen en kastijding. Van verre heb ik gestaan en met afgrijzen gadegeslagen hem die in orgiastische razernij bezwoer zich het mannelijk lid te zullen uitrukken, omdat hij Df6 had gespeeld in plaats van Db6. Wat heet berouw? Wat wroeging? Dit is de hel der hellen. Gehenna. Het dal van Kai Hinnom.’
Alleen een diepzinnige geest kon volgens mijn vader deze diepe ernst van het spel dragen. Laat u dus niet misleiden door alle vrolijke clowns, orka’s en legoblokjes in dit dossier: het spel verdient ontzag.
Marian Donner