Lucy Cooke: ‘Darwin zag de natuur door een victoriaanse gaatjescamera’

Estimated read time 25 min read

Haar boek werd in elf talen vertaald en kreeg in elk daarvan dezelfde, oorspronkelijke titel: Bitch. In dit werk rekent zoöloog Lucy Cooke af met alle ‘victoriaanse’ mythes over gender en seksualiteit in het dierenrijk. Lees hier het voorwoord.

Als zoölogiestudent voelde ik me een nogal trieste misfit. Niet omdat ik van spinnen hield, het leuk vond om roadkill (doodgereden dieren) open te snijden of vrolijk in dierenpoep wroette om te kijken wat hun eigenaar gegeten kon hebben. Dat soort aparte afwijkingen hadden al mijn medestudenten, dus je hoefde je nergens voor te schamen. Nee, de bron van mijn ongenoegen was mijn sekse. Mijn vrouwzijn betekende maar één ding: ik was een loser.

‘Vrouwtjes worden uitgebuit en de fundamentele evolutionaire basis voor die uitbuiting is het feit dat eitjes groter zijn dan zaadcellen,’ schreef mijn universitair docent Richard Dawkins in zijn beroemde evolutiebijbel De zelfzuchtige genen.

Volgens de wetten der zoölogie werden wij eitjesproducenten verraden door onze lijvige geslachtscellen. Onze voormoeders hadden aan het kortste eind getrokken in de oerloterij van het leven door onze genetische erfenis te investeren in een paar voedselrijke eicellen in plaats van miljoenen mobiele zaadcellen. Nu waren we voor eeuwig gedoemd om tweede viool te spelen naast de spermaspuiters, als vrouwelijke voetnoot bij het grote machogebeuren.

Ik kreeg te horen dat deze schijnbaar zo triviale ongelijkheid in onze geslachtscellen een keiharde biologische basis voor seksuele ongelijkheid vormde. ‘Het is mogelijk om alle andere verschillen tussen de seksen te interpreteren als voortvloeisels uit dit ene basale verschil,’ vertelde Dawkins ons. ‘Dit is de grondslag van vrouwelijke uitbuiting.’

Mannetjesdieren leidden avontuurlijke levens vol heroïsche worstelingen. Ze bevochten elkaar om leiderschapsposities of toegang tot vrouwtjes. Ze neukten lukraak in het rond, voortgedreven door het biologische dictaat om hun zaad wijd en zijd te verspreiden. En ze waren sociaal dominant; de mannetjes leidden, de vrouwtjes volgden gedwee. De rol van het vrouwtje was uiteraard die van de onzelfzuchtige moeder, en moederlijke daden werden gezien als één pot nat: we hadden nul concurrerende macht. Seks was eerder een plicht dan een drang.

En wat de evolutie betrof, waren het de mannetjes die de richting bepaalden. Wij vrouwtjes konden meeliften dankzij gedeeld dna zolang we beloofden ons te gedragen en onze mond te houden.

Als eitjesproducerende student van de evolutie zag ik mezelf helemaal niet weerspiegeld in de rolmodellen van deze jarenvijftigsitcom. Was ik een soort afwijking van het gangbare vrouwelijke?

Het antwoord is gelukkig nee.

De biologie is doorkneed met een seksistische mythologie die onze blik op vrouwtjesdieren vervormt. In de natuur variëren vrouwtjes enorm in uiterlijk en rol, wat een fascinerend spectrum van anatomie en gedrag oplevert. Jazeker, de liefhebbende moeder bestaat, maar ook de jacana, een vogel die haar eieren achterlaat om haar jonkies te laten grootbrengen door een harem van bedrogen mannetjes. Vrouwtjes kunnen trouw zijn, maar slechts zeven procent van alle diersoorten is seksueel monogaam, zodat er een hele hoop vreemdgaande vrouwtjes zijn die met meerdere partners de bosjes in duiken. Lang niet alle dierengemeenschappen worden gedomineerd door mannetjes; in een heel scala aan soorten zijn alfavrouwtjes geëvolueerd, en de manier waarop ze hun gezag doen gelden, varieert van goedaardig (bonobo’s) tot bijzonder hardvochtig (bijen). Vrouwtjes kunnen net zo fel met elkaar concurreren als mannetjes: lieran- tilopes leveren woeste veldslagen met hun gigantische hoorns om toegang tot de beste mannetjes te krijgen, en stokstaartjes- matriarchen zijn de meest moordzuchtige zoogdieren op aarde, aangezien ze de kleintjes van hun concurrenten vermoorden en hun voortplanting belemmeren. Dan zijn er nog de femme fa- tales: kannibalistische vrouwtjesspinnen die hun minnaars ver- orberen als post- of zelfs precoïtale snackjes, en ‘lesbische’ ha- gedissen die helemaal geen mannetjes nodig hebben en zich uitsluitend voortplanten door zichzelf te klonen.

In de afgelopen decennia heeft er een revolutie plaatsgevonden die ons meer inzicht heeft gegeven in het vrouwelijke. Dit boek gaat over die revolutie. Ik wil je voorstellen aan een waanzinnige cast van opmerkelijke vrouwtjesdieren en de wetenschappers die ze bestuderen, die samen niet alleen nieuw licht hebben geworpen op het vrouwtjesdier, maar ook op de vormende krachten achter de evolutie.

Om te begrijpen hoe deze scheve blik op de natuur is ontstaan, moeten we terug in de tijd naar het victoriaanse Engeland voor een bezoekje aan mijn wetenschappelijke idool: Charles Darwin. Darwins theorie over evolutie door natuurlijke selectie verklaarde hoe de rijke variëteit in het leven op aarde is voortgekomen uit een gezamenlijke voorouder. Organismes die beter aan hun omgeving zijn aangepast, zullen eerder overleven en de genen doorgeven die hun succes hebben bevorderd. Dit proces zorgt ervoor dat soorten mettertijd veranderen en zich afsplitsen. Dit idee, dat vaak ten onrechte ‘survival of the fittest’ wordt genoemd – een term die in omloop is gebracht door de filosoof Herbert Spencer en die Darwin alleen in de vijfde editie van Over het ontstaan van soorten (1869) liet opnemen omdat hij zich daartoe gedwongen voelde is even briljant als simpel en wordt terecht een van de grootste intellectuele doorbraken uit de geschiedenis van de mensheid genoemd.

Hoe ingenieus natuurlijke selectie ook is, het kan niet alles verklaren wat we in de natuur aantreffen. Darwins evolutietheorie vertoonde een paar gapende gaten die veroorzaakt werden door ingewikkelde kenmerken als hertengeweien of pauwenstaarten. Zulke extravaganties boden in het dagelijks leven geen enkel voordeel en zouden zelfs eerder als hinderlijk beschouwd kunnen worden. Als zodanig konden ze niet gevormd zijn door de utilistische krachten van natuurlijke selectie. Dat zag Darwin ook in en hij heeft er lange tijd flink mee in zijn maag gezeten. Hij besefte dat er een ander evolutionair mechanisme in het spel moest zijn, met een heel andere agenda. Dat, zo besefte Darwin uiteindelijk, was de jacht op seks, dus noemde hij het ‘seksuele selectie’.

Volgens Darwin verklaarde deze nieuwe evolutionaire kracht die flamboyante kenmerken: hun enige doel moest het veroveren of aantrekken van de andere sekse zijn. Ten teken van hun niet-essentiële aard noemde Darwin dit soort luxe-eigenschappen ‘secundaire geslachtskenmerken’, om ze te onderscheiden van ‘primaire geslachtskenmerken’, zoals voortplantingsorganen en geslachtsdelen, die inderdaad tamelijk onmisbaar zijn voor de voortzetting van het leven.

Een luttele tien jaar nadat hij de wereld met natuurlijke selectie had geconfronteerd, publiceerde Darwin zijn tweede grote theoretische meesterwerk: De afstamming van de mens en selectie in relatie tot sekse (1871). Dit dikke vervolgwerk schetste zijn nieuwe theorie over seksuele selectie, die de diepgaande verschillen die hij tussen de seksen zag moest verklaren. Als natuurlijke selectie de strijd om overleving is, is seksuele selectie in wezen de strijd om voortplantingspartners. En voor zover Darwin het zag, was die competitie grotendeels het domein van de mannetjes.

‘De mannetjes van bijna alle dieren hebben hevigere hartstochten dan de wijfjes. Daarom zijn het de mannetjes die met elkaar vechten en met koppige volharding hun charmes tentoonspreiden voor de wijfjes,’ verklaart Darwin. ‘Het wijfje daarentegen is, op de zeldzaamste uitzonderingen na, minder vurig dan het mannetje. […] over het algemeen “is het nodig haar het hof te maken”; zij is terughoudend.’

In Darwins ogen breidde seksuele dimorfie zich dus ook uit tot het gedrag van beide geslachten. Deze sekserollen waren net zo voorspelbaar als fysieke kenmerken. Mannetjes nemen het evolutionaire voortouw door het gevecht aan te gaan met ‘wapens’ of ‘charmes’ die speciaal zijn geëvolueerd om het vrouwtje te ‘veroveren’ en haar te ‘bezitten’. De concurrentie is zodanig dat mannetjes enorm van elkaar verschillen in hun voortplantingssucces, en deze seksuele selectie drijft de evolutie van winnende kenmerken aan. Vrouwtjes hebben minder aanleiding tot variatie; hun rol is er een van onderwerping aan en het doorgeven van deze mannelijke kenmerken. Darwin wist niet goed waarom die ongelijkheid bestond, maar hij vermoedde dat ze terug te voeren was op de geslachtscellen en het feit dat vrouwtjes veel energie spendeerden aan hun moederlijke investeringen.

Darwin moest er dus alles aan doen om deze vrouwelijke macht te bagatelliseren

Darwin wist dat het mechanisme van seksuele selectie naast mannelijke concurrentie ook een element van vrouwelijke keuze moest bevatten. Dat was lastiger te verklaren, omdat dit het zwakke geslacht een ongemakkelijk actieve rol gaf in het modelleren van het mannetje – iets wat in het victoriaanse Engeland niet goed zou vallen en, zoals we in hoofdstuk 2 zullen ontdekken, Darwins theorie over seksuele selectie uiteindelijk onverteerbaar maakte voor het wetenschappelijke patriarchaat. Darwin moest er dus alles aan doen om deze vrouwelijke macht te bagatelliseren door te zeggen dat die op de een of andere manier op een ‘betrekkelijk passieve’ en niet-bedreigende manier werd bereikt door vrouwtjes die ‘toekijken’ bij de mannelijke bravouregevechten.

De manier waarop Darwin de seksen in de markt zette als actief (mannelijk) en passief (vrouwelijk) had niet effectiever kunnen zijn als dit verhaal was uitgedokterd door een groot marketingbedrijf met een ongelimiteerd budget. Het is precies het soort keurig nette dichotomie – zoals goed of kwaad, zwart of wit, vriend of vijand – waarin het menselijk brein zoveel genoegen schept omdat het intuïtief correct aanvoelt.

Overigens was Darwin waarschijnlijk niet de aanstichter van deze handige geslachtelijke classificatie. Waarschijnlijk heeft hij haar geleend van Aristoteles, de vader van de zoölogie. In de vierde eeuw voor Christus schreef de klassieke Griekse filosoof de eerste dierenalmanak aller tijden. Over voortplanting was zijn verhandeling over reproductie. Darwin had dit oorspronkelijke academische werk zeker gelezen, wat misschien verklaart waarom er een bijzonder vertrouwde geur opstijgt uit Aristoteles’ verdeling van de sekserollen.

‘In de dieren die […] twee geslachten hebben […] staat het mannelijke voor effectief en actief […] en het vrouwelijke […] voor het passieve.’

De stereotypen over vrouwelijke passiviteit en mannelijke vitaliteit zijn zo oud als de zoölogie. Het feit dat ze de tand des tijds zo goed doorstaan hebben, doet vermoeden dat ze ‘gevoelsmatig klopten’ voor generaties wetenschappers, maar dat wil niet zeggen dat ze ook echt kloppen. Als de wetenschap ons in elk domein één ding geleerd heeft, is het wel dat onze intuïtie ons vaak om de tuin leidt. Het voornaamste probleem met deze keurig nette binaire classificatie is dat er geen barst van klopt.

Probeer de noodzaak om passief te zijn maar eens uit te leggen aan een dominant gevlektehyenavrouwtje, dan lacht ze je recht in je gezicht uit nadat ze het er af heeft gebeten. Vrouwtjesdieren zijn net zo promiscue, competitief, agressief, dominant en dynamisch als mannetjes. Ze hebben gelijke rech- ten op het evolutionaire vlak. Het punt is alleen dat Darwin en de coterie van beschaafde zoölogen op wie hij zijn ideeën voor een deel inspireerde, ze niet zo konden en misschien ook niet wilden zien. De grootste sprong voorwaarts in de hele biolo- gie – en misschien wel de hele wetenschap – is gemaakt door een groep victoriaanse mannen in een negentiende-eeuws mi- lieu, en er werden bepaalde aannames over de aard van gender en sekse in meegesmokkeld.

Eerlijk gezegd zou Darwin zich in een eventuele tv-quiz geen groot specialist tonen op het gebied van de andere sekse. Dit was een man die met zijn nicht Emma trouwde nadat hij eerst een lijstje met huwelijkse voors en tegens had opgesteld. Deze onthullende romantische inventaris, die hij op de achterkant van een brief aan een vriend krabbelde, is tot Darwins grote schaamte bewaard gebleven en onthult zijn meest persoonlijke gedachten, zodat we daar tot in alle eeuwigheid over kunnen oordelen.

In twee korte kolommetjes – ‘trouwen’ en ‘niet trouwen’ – vocht Darwin zijn innerlijke echtelijke tweestrijd uit. Zijn voornaamste zorgen waren dat hij ‘conversaties met verstandige mannen in herenclubs’ zou missen en mogelijk zou vervallen tot ‘dikheid en ledigheid’, of erger nog, ‘verbanning en verloedering met indolent ledig dommerdje’ (wat misschien niet de manier is waarop Emma graag omschreven had willen worden door haar dierbare verloofde). Aan de andere kant zou hij wel ‘iemand voor het huishouden’ hebben en een ‘fijne zachte echtgenote op de bank’ was ‘sowieso beter dan een hond’. Dus waagde Darwin dapper de sprong.

Dat maakte de kans dat hij de evolutie niet alleen vanuit het mannelijke, maar ook vanuit het vrouwelijke perspectief zou bekijken klein

Je krijg het gevoel dat Darwin misschien meer gedreven werd door cerebrale genoegens dan vleselijke lusten, ondanks het feit dat hij tien kinderen heeft verwekt. Het zou goed kunnen dat hij niet heel vertrouwd was met of zelfs erg nieuwsgierig naar het vrouwelijke geslacht. Dat maakte de kans dat hij de evolutie niet alleen vanuit het mannelijke, maar ook vanuit het vrouwelijke perspectief zou bekijken misschien klein, de maatschappij waarin hij was geboren nog even daargelaten.

Zelfs de origineelste en meest nauwgezette wetenschappers zijn niet immuun voor de invloeden van cultuur, en Darwins androcentrische kijk op de seksen is ongetwijfeld gevormd door het heersende chauvinisme van zijn tijd. In hogere victoriaanse kringen hadden vrouwen maar één belangrijke rol in het leven: trouwen, kinderen krijgen en misschien hun man een beetje helpen met zakelijke dingen en andere belangen. Dit was een erg ondersteunende, huiselijke rol, aangezien vrouwen fysiek en intellectueel het ‘zwakkere’ geslacht werden genoemd. Ze waren in alle opzichten onderschikt aan het mannelijk gezag van vaders, echtgenoten, broers of zelfs volwassen zonen.

Dit sociale vooroordeel werd gemakshalve gestaafd door het wetenschappelijke denken van die tijd. De toonaangevende academische geesten van het victoriaanse tijdperk beschouwden man en vrouw als radicaal verschillende wezens, die in zekere zin elkaars absolute tegengestelden waren. Vrouwen werden beschouwd als onvolgroeid; ze leken op de jongen van hun soort doordat ze kleiner, zwakker en minder kleurrijk waren. Waar mannelijke energie in groei gestopt werd, was de vrouwelijke energie nodig om eitjes te voeden en jongen te dragen. Mannen werden vanwege hun doorgaans grotere lichaamsbouw beschouwd als complexer en variabeler dan vrouwen, en superieur in hun mentale capaciteiten. Vrouwen hadden volgens de heersende opinie allemaal een gemiddelde intelligentie, maar mannen varieerden daar enorm in en vertoonden niveaus van genialiteit die bij de andere sekse niet voor zouden komen. In wezen werden mannen beschouwd als meer geëvolueerd en ontwikkeld dan vrouwen.

Deze sentimenten verwerkte Darwin allemaal in De afstamming van de mens en selectie in relatie tot sekse, dat, zoals de titel al doet vermoeden, de menselijke evolutie en de sekseverschil- len zoals de victoriaanse samenleving die zag verklaarde aan de hand van seksuele en natuurlijke selectie.

‘Het hoofdonderscheid in de intellectuele vermogens van de twee seksen is daarin zichtbaar dat de man, wat hij ook onderneemt, een hoger niveau bereikt dan de vrouw bereiken kan – of dit nu diep nadenken, rede of fantasie vereist, of louter het gebruik van de zinnen en handen,’ verklaarde Darwin. ‘Zo is de man uiteindelijk superieur geworden aan de vrouw.’

Darwins theorie over seksuele selectie is opgekweekt uit misogynie, dus het is niet zo gek dat het vrouwtjesdier misvormd ten tonele werd gevoerd, net zo gemarginaliseerd en onbegrepen als een victoriaanse huisvrouw. Wat misschien verbazingwekkender is, en schadelijker, is hoe moeilijk het is geweest om deze seksistische vlek uit de wetenschap te wassen en hoever hij zich heeft uitgebreid.

Darwins genialiteit heeft daarbij niet geholpen. Hij heeft zo’n goddelijke reputatie verworven dat biologen die hem navolgen sinds jaar en dag lijden aan een chronisch geval van bevestigingsbias. Ze zochten naar bewijzen die het passieve vrouwelijke prototype bevestigden en zagen alleen wat ze wilden zien. Als ze geconfronteerd werden met anomalieën, zoals de wellustige promiscuïteit van de leeuwin, die in haar bronsttijd tientallen keren per dag enthousiast met meerdere mannetjes paart, keken ze weloverwogen de andere kant op. Erger nog, zoals je in hoofdstuk 3 zult ontdekken, werden onderzoeksuitslagen die niet aan de verwachting voldeden gemanipuleerd met statistische trucjes om zijdelingse steun voor het ‘correcte’ wetenschappelijke model tevoorschijn te goochelen.

Een centraal basisprincipe van de wetenschap is de wet van de spaarzaamheid, ook wel bekend als Ockhams scheermes, die wetenschappers leert dat ze op de bewijzen moeten vertrouwen

en de simpelste verklaring moeten kiezen, aangezien die waarschijnlijk de beste zal zijn. Darwins strenge sekserollen hebben een situatie geforceerd waarin dit fundamentele wetenschappelijke proces wordt opgegeven door wetenschappers die zich gedwongen zien om steeds omslachtigere uitvluchten te verzinnen als verklaring voor vrouwelijk gedrag dat afweek van het standaard stereotype.

Neem de pinyongaai, Gymnorhinus cyanocephalus. Deze kobaltblauwe leden van de kraaienfamilie leven in lawaaiige troepen van vijftig tot vijfhonderd vogels in de westelijke staten van Noord-Amerika. Hoogintelligente dieren met zo’n actief sociaal leven hebben waarschijnlijk middelen om hun drukke samenleving te ordenen – een dominantienetwerk –, anders wordt het een chaos. De ornithologen John Marzluff en Russell Balda, die de gaaien meer dan twintig jaar hebben bestudeerd en er in de jaren negentig een gezaghebbend boek over hebben gepubliceerd, waren geïnteresseerd in het ontcijferen van de sociale hiërarchie van de pinyongaaien, dus gingen ze op zoek naar het ‘alfamannetje’.

Daar was heel wat vernuft voor nodig. Het bleek dat mannelijke pinyongaaien toegewijde pacifisten zijn en zelden tot nooit vechten. De ondernemende ornithologen zetten dus voederplaatsen op die ze vulden met lekkere hapjes, zoals vette popcorn en meelwormen, om een soort territoriale oorlog te ontketenen. De gaaien weigerden echter het gevecht aan te gaan. De onderzoekers zagen zich gedwongen hun agressiegraad te baseren op een paar behoorlijk subtiele aanwijzingen, zoals scheve blikken. Als het dominante mannetje het onderworpen mannetje vuil aankeek, verliet het onderworpen mannetje de voederplaats. Het was niet bepaald Game of Thrones, maar de onderzoekers turfden vlijtig zo’n tweeënhalfduizend van deze ‘agressieve’ confrontaties.

Toen ze hun gegevens in statistieken verwerkten, raakten ze

nog meer in verwarring. Slechts veertien van de tweehonderd groepsleden kwalificeerden zich voor een plekje in het dominantienetwerk en er was geen lineaire hiërarchie. Mannetjes draaiden hun dominantie terug en ondergeschikten werden agressief tegen hun superieuren. Ondanks de verwarrende onderzoeksresultaten en een algeheel gebrek aan vijandig machogedoe verklaarden de wetenschappers nog steeds heel zelfverzekerd: ‘Er is weinig twijfel dat volwassen mannetjes agressief hun gezag handhaven.’

Het wonderlijke is dat de onderzoekers wel degelijk gaaien-gedrag hadden waargenomen dat een stuk vijandiger was dan een paar geïrriteerde blikken. Ze documenteerden vogels in dramatische luchtgevechten waarin duellerende tweetallen al vliegend de strijd met elkaar aangingen en ‘hevig klapwiekend ter aarde storten’, waar ze ‘hard naar elkaar pikken’. Deze confrontaties waren ‘het agressiefste gedrag dat in de loop van het jaar werd waargenomen’, maar ze werden niet opgenomen in een dominantienetwerk omdat de strijdende partijen niet mannelijk waren. Het waren allemaal vrouwtjes. De onderzoekers concludeerden dat dit ‘opvliegende’ vrouwelijke gedrag hormonaal gedreven moest zijn. Ze opperden het vermoeden dat een lentepiek in hun hormonen deze vrouwtjesgaaien ‘het vogel-equivalent van pms gaf, wat we pbs (prebroedsyndroom) hebben gedoopt’!

Er bestaat helemaal niet zoiets als pbs. Als Marzluff en Balda het agressieve gedrag van de vrouwtjesvogels met een open blik hadden bekeken en Ockhams scheermes hadden gebruikt om het overtollige pluis van hun gissingen te scheren, waren ze dicht bij het ontraadselen van het complexe sociale systeem van de pinyongaai gekomen. Alle aanwijzingen dat de vrouwtjes in wezen uiterst competitief zijn en een grote rol spelen in de gaaienhiërarchie staan gewoon in hun nauwkeurig vastgelegde onderzoeksgegevens, maar ze waren er blind voor. In plaats daarvan bleven ze ijzerenheinig en dogmatisch zoeken naar de ‘kroning van een nieuwe koning’, een bekroning van hun overtuiging die uiteraard nooit plaatsvond.

Er is hier geen sprake van een complot, alleen van wetenschappelijke oogkleppen

Er is hier geen sprake van een complot, alleen van wetenschappelijke oogkleppen. Marzluff en Balda illustreren hoe goede wetenschappers kunnen lijden aan slechte vooroordelen. Het ornithologenduo werd geconfronteerd met verwarrend nieuw gedrag, dat ze interpreteerden vanuit een niet-kloppend raamwerk. Ze zijn zeker niet de enigen die dit soort eerlijke vergissingen maken. De wetenschap blijkt doordrenkt van accidenteel seksisme.

Het heeft niet geholpen dat de academische wereld werd, en in veel gevallen nog steeds wordt, gedomineerd door mannen die het dierenrijk als vanzelf vanuit hun eigen standpunt bekijken; de onderzoeksvragen die gesteld worden, vloeien dus voort vanuit een mannelijk perspectief. Velen waren gewoon ook niet nieuwsgierig naar vrouwtjes. Mannetjes waren de hoofdact en werden het modelorganisme, de standaard waarvan het vrouwtje afweek, het schoolvoorbeeld waaraan de soort werd afgemeten. Vrouwtjesdieren met hun ‘lastige hormonen’ waren de buitenstaanders, afwijkingen die afleidden van het leidende narratief, en billijkten niet dezelfde mate van wetenschappelijke interesse. Hun lichaam en gedrag werden niet onderzocht. De datakloof die daaruit voortvloeit, wordt dan al snel een selffulfilling prophecy. Vrouwtjes worden beschouwd als de onveranderlijke, inerte sidekicks van het mannelijke streven, aangezien er geen gegevens zijn om ze als iets anders te verkopen.

Het gevaarlijkste aan seksistische vooroordelen is de boemerangwerking. Wat begon als een chauvinistische victoriaanse cultuur werd opgekweekt door een eeuw van wetenschap en toen de samenleving weer in gegooid als politiek wapentuig met het keurmerk van Darwin. Het gaf een handjevol, met name mannelijke aanhangers van een nieuwe wetenschap, de evolutionaire psychologie, de ideologische autoriteit om te beweren dat een hele zwik akelige mannelijke gedragingen – van verkrachting tot compulsief rokkenjagen en mannelijke suprematie – volkomen ‘natuurlijk’ was voor mensen, omdat Darwin dat had gezegd. Ze zeiden tegen vrouwen dat ze disfunctionele orgasmes hadden, dat ze nooit door het glazen plafond konden breken door een aangeboren gebrek aan ambitie en dat ze zich bij de moederrol moesten houden.

Deze evolutionaire psychoblabla van rond de eeuwwisseling werd gretig gevreten door een nieuw type mannenbladen dat deze seksistische ‘wetenschap’ naar het grote publiek doorschoof. Journalisten als Robert Wright kraaiden in bestsellers en veelgelezen columns in populaire kranten dat het feminisme gedoemd was, omdat het weigerde deze wetenschappelijke waarheden te erkennen. Wright schreef vanaf zijn ideologische voetstuk artikelen met titels als ‘Feministen, maak kennis met Mr Darwin’, gaf zijn critici ‘een dikke onvoldoende voor evolutionaire biologie’ en beweerde dat ‘geen enkele bekende feministe genoeg over modern darwinisme heeft geleerd om erover te kunnen oordelen’.

Maar dat hadden ze wel degelijk. De tweede feministische golf had laboratoriumdeuren geopend die voorheen gesloten bleven, en vrouwen liepen de collegezalen van topuniversiteiten binnen om Darwin zelf te bestuderen. Ze deden veldwerk en observeerden vrouwtjesdieren net zo nieuwsgierig als mannetjesdieren. Ze ontdekten seksueel voorlijke vrouwtjesapen en in plaats van die te negeren, zoals hun mannelijke voorgangers hadden gedaan, vroegen ze zich af waarom ze zich zo gedroegen. Ze ontwikkelden gestandaardiseerde technieken voor het meten van gedrag dat gelijke aandacht voor beide geslachten afdwong. Ze zetten nieuwe technologie in om vrouwtjesvogels te bespioneren en onthulden dat die geenszins slachtoffers van mannelijke seksuele dominantie waren, maar de show in wezen runden. En ze herhaalden experimenten die de empirische grondslag voor Darwins seksuele stereotypen hadden gevormd en ontdekten dat de uitkomsten waren verdraaid.

Er is heel wat moed voor nodig om Darwin te trotseren. Hij is niet alleen een intellectuele icoon, in het Verenigd Koninkrijk behoort hij tot het nationaal erfgoed. Zoals een oude hoogleraar me ooit onder de neus wreef, staat Darwin afvallen gelijk aan academische ketterij en dat leidde tot een uitgesproken conservatisme onder Britse evolutionaire wetenschappers. Misschien is dat de reden dat de eerste kiemzaadjes van rebellie van de andere kant van de Atlantische Oceaan kwamen, waar een paar Amerikaanse wetenschappers het op zich namen om alternatieve verhalen te genereren over evolutie, gender en seksualiteit.

Deze intellectuele krijgers zul je in dit boek tegenkomen. Ik heb er een paar ontmoet tijdens een lunch op een walnotenfarm in Californië, waar we onder andere praatten over Darwin, orgasmes en gieren. Sarah Blaffer Hrdy, Jeanne Altmann, Mary Jane West-Eberhard en Patricia Gowaty zijn de rebelse matriarchen van het moderne darwinisme die het waagden om de wetenschappelijke fallocratie te bestrijden met data en logica. Ze noemen zichzelf ‘de meiden’ en komen al drie decennia elk jaar bijeen bij Hrdy thuis om de evolutionaire stavaza door te nemen. Ik had de mazzel om een uitnodiging te bemachtigen voor hun jaarlijkse cerebrale jamboree. Deze baanbrekende hoogleraren zijn inmiddels grotendeels met pensioen, maar ze komen nog steeds bijeen om elkaar te steunen, nieuwe ideeën te bespreken en de evolutie van de evolutionaire biologie op het rechte pad te houden. Ze zijn feminist, jawel, maar ze zijn er heel duidelijk over dat dit betekent dat ze geloven in gelijke vertegenwoordiging van beide seksen en niet in de onverdiende heerschappij van één geslacht.

Darwin zag de natuur door een victoriaanse gaatjescamera

Hun wetenschap heeft een nieuwe golf van biologen in staat gesteld om de vrouwelijke soort te bekijken als een fascinerend fenomeen op zich, door vrouwelijke anatomieën en gedrag te onderzoeken en zich af te vragen hoe selectie werkt vanuit het perspectief van een dochter, zuster, moeder of concurrent. Deze wetenschappers waren bereid om door culturele normen heen te kijken en onorthodoxe ideeën te ontwikkelen over de fluïditeit van sekserollen, waarmee ze het – al dan niet onbedoelde – machismo binnen de evolutionaire biologie terug wisten te dringen. Velen van hen zijn vrouwen, maar zoals je zult ontdekken is deze wetenschappelijke muiterij niet uitsluitend een vrouwenzaak, want alle geslachten en genders spelen een rol. Je zult in dit boek heel wat mannelijke wetenschappers tegenkomen. Het pionierswerk van Frans de Waal, William Eberhard en David Crews, om er maar een paar te noemen, bewijst dat je je niet als vrouw hoeft te identificeren om een feministische wetenschapper te zijn. Nieuwe, frisse perspectieven uit de wetenschappelijke lhbtiq+-gemeenschap zijn cruciaal geweest bij het aankaarten van heteronormatieve bijziendheid en binaire dogma’s binnen de zoölogie. Biologen als Anne Fausto-Sterling en Joan Roughgarden hebben, net als anderen, de aandacht gevestigd op de verbluffende verscheidenheid van geslachtelijke expressie in het dierenrijk en de fundamentele rol van diversiteit als aanjager van de evolutie.

Het resultaat is niet alleen een onmetelijk veel rijker en levensechter portret van het vrouwtjesdier, maar ook een rijkdom aan verrassende nieuwe inzichten in het ingewikkelde mechanisme van de evolutie. Dit zijn interessante tijden voor evolutionair biologen: seksuele selectie is in een grote paradigmaverschuiving beland. Empirische onthullingen zetten algemeen aanvaarde feiten op hun kop en conceptuele veranderingen verwijzen vanouds geaccepteerde aannames naar de prullenbak. Darwin had op dit vlak niet helemaal ongelijk, dat zeker niet. Mannelijke concurrentie en vrouwelijke keuze zijn inderdaad de aanjagers van seksuele selectie, maar dat is maar een deel van het evolutionaire plaatje. Darwin zag de natuur door een victoriaanse gaatjescamera. Nieuwe inzichten in het vrouwelijke geslacht geven ons een breedbeeldkijk op het leven op aarde, in glorieuze technicolor, en het verhaal wordt er alleen maar fascinerender van.

In Bitch onderneem ik een wereldwijd avontuur om de dieren en wetenschappers te ontmoeten die een achterhaald patriarchaal beeld van de evolutie helpen herschrijven en de vrouwelijke soort herdefiniëren.

Ik ga naar het eiland Madagaskar om te kijken hoe vrouwtjes-lemuren, onze verste verwanten onder de primaten, de mannetjes fysiek en politiek gingen overheersen. In de besneeuwde bergen van Californië ontdek ik hoe een vrouwelijke waaier-hoenrobot Darwins mythe over het passieve vrouwtje van de sokken blies. Op het eiland Hawaï ontmoet ik albatrosvrouwtjes die vaste verkering met elkaar hebben en de traditionele sekserollen tarten door samen hun kuikens groot te brengen. En voor de kust van de staat Washington voel ik verwantschap met een matriarchale orka, de wijze oude leidster van haar jachtgezelschap en een van de slechts vijf bekende soorten, waaronder de mens, waarvan de vrouwtjes in de overgang raken.

Door nieuwe verhalen uit de periferie van de vrouwelijkheid te honoreren hoop ik een fris, divers portret van het vrouwtjesdier te schetsen en wil ik proberen te begrijpen wat die onthullingen ons eventueel over onze eigen soort kunnen vertellen.

Sinds de tijd van Aesopus bekijken mensen dieren als illustraties van en modellen voor menselijk gedrag. Velen geloven, ietwat misplaatst, dat de natuur mensengemeenschappen leert wat goed en juist is – de naturalistische denkfout. Maar overleven is een onsentimentele sport en diergedrag omvat vrouwelijke narratieven die uiteenlopen van fabelachtige empowerment tot angstaanjagende onderdrukking. Wetenschappelijke ontdekkingen over vrouwtjesdieren kunnen aan beide kanten van het feministische hek als munitie gebruikt worden; het is een gevaarlijk spelletje om dieren in te zetten als ideologische wapens. Maar meer inzicht in wat het betekent om een vrouwtjesdier te zijn kan wel helpen tegen gemakzuchtige argumenten en sleetse androcentrische stereotypen; het kan onze aannames van wat natuurlijk, normaal of zelfs mogelijk is op de proef stel- len. Als vrouwelijkheid door één ding bepaald moet worden, is het wel haar dynamische, gevarieerde aard en niet strenge, achterhaalde regels en verwachtingen.

De bitches in Bitch zullen aantonen dat vrouwelijkheid draait om de strijd om te overleven, en dan niet alleen als passieve sidekick. Darwins theorie over seksuele selectie dreef een wig tussen de seksen door te focussen op onze verschillen, maar die verschillen zijn in cultureel opzicht groter dan in biologisch opzicht. Dierenkenmerken – fysiek dan wel gedragsmatig – zijn heel verscheiden en plastisch. Ze kunnen meebewegen met de grillen van selectie, wat geslachtskenmerken fluïde en kneedbaar maakt. De kenmerken van vrouwtjesdieren kunnen niet voorspeld worden door de kristallen bol van hun sekse, want omgeving, tijd en toeval spelen allemaal belangrijke rollen in de totstandkoming daarvan. Zoals we in het eerste hoofdstuk zullen ontdekken, zijn de overeenkomsten tussen vrouwtjes en mannetjes in feite veel groter dan de verschillen. Dusdanig zelfs dat je soms nauwelijks weet waar je de grens moet trekken.

In het boek Bitch rekent zoöloog Lucy Cooke af met alle ‘victoriaanse’ mythes over gender en seksualiteit in het dierenrijk. Lees hier het voorwoord.

You May Also Like

More From Author

+ There are no comments

Add yours